ECLI:NL:PHR:2013:BZ1956
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende bewijs voor bestemd voorwerp bij voorbereiding misdrijf
In deze zaak stond de vraag centraal of een mobiele telefoon kan worden aangemerkt als een voorwerp bestemd tot het plegen van een misdrijf in het kader van strafbare voorbereiding volgens art. 46 lid 1 Sr Pro. Het hof had verdachte veroordeeld omdat hij een telefoon voorhanden had gehad die kennelijk bestemd was tot het plegen van een diefstal met geweld of afpersing, waarbij hij telefonisch contact had met een medeverdachte.
De verdediging voerde aan dat een telefoon niet als zodanig kan worden aangemerkt als een voorwerp bestemd tot het plegen van een strafbaar feit. De Hoge Raad overwoog dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de telefoon van verdachte daadwerkelijk bestemd was voor het plegen van het misdrijf zelf, maar slechts werd gebruikt bij de voorbereiding.
De Hoge Raad benadrukte dat sinds de wetswijziging van 2007 niet langer vereist is dat het voorwerp 'kennelijk' bestemd is, maar dat het opzet van de dader op strafbare voorbereiding centraal staat. Echter, het louter gebruik van een alledaags voorwerp, zoals een telefoon, tijdens de voorbereiding is onvoldoende om strafbaarheid te rechtvaardigen zonder bewijs van een criminele bestemming van dat voorwerp.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis waarin wordt benadrukt dat plannenmakerij zonder concrete voorbereidingshandeling of bestemde voorwerpen niet strafbaar is. Gezien het ontbreken van bewijs dat de telefoon bestemd was voor het plegen van het misdrijf, werd het cassatiemiddel gegrond verklaard en het arrest van het hof vernietigd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de telefoon bestemd was tot het plegen van het misdrijf.