ECLI:NL:PHR:2013:BZ1704
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter voor spoedeisende kinderbeschermingsmaatregelen bij verblijf minderjarigen in Nederland
De zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om in spoedeisende gevallen voorlopige beschermingsmaatregelen te treffen ten aanzien van minderjarigen die hun gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hebben, maar tijdelijk in Nederland verblijven. De minderjarigen waren met hun ouders vanuit Nederland naar Engeland verhuisd en verbleven tijdelijk in Nederland voor vakantie toen de kinderbeschermingsmaatregelen werden getroffen.
De rechtbank Amsterdam stelde de minderjarigen op 4 mei 2011 voorlopig onder toezicht en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing wegens spoedeisendheid. De rechtbank verklaarde zich echter onbevoegd voor de verlenging van deze maatregelen. Het hof Amsterdam bekrachtigde deze beslissing, waarna cassatie werd ingesteld.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van artikel 20 lid 1 van Pro de Brussel II-bis verordening in verbinding met artikel 5 van Pro het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de Nederlandse rechter bevoegd is voorlopige maatregelen te treffen in spoedeisende gevallen wanneer de minderjarigen zich tijdelijk in Nederland bevinden. De bevoegdheid is beperkt tot voorlopige maatregelen en vereist spoedeisendheid en het belang van het kind. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in deze context.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om spoedeisende voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen te treffen voor minderjarigen tijdelijk in Nederland verblijvend.