ECLI:NL:PHR:2013:BZ1462
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoeker, geboren in 1965, is met zijn ouders in 1951 vanuit Indonesië naar Nederland gekomen en in 1970 teruggekeerd naar Indonesië. In 2003 keerde hij weer terug naar Nederland en vroeg hij de rechtbank om vaststelling van zijn Nederlanderschap.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet in aanmerking komt voor het Nederlanderschap op grond van de Faciliteitenwet, omdat hij en zijn ouders ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet woonplaats in Indonesië hadden en niet voldeden aan de voorwaarden van woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland. Ook was niet gebleken dat verzoeker of zijn ouders ooit een verzoek hadden gedaan om als Nederlander te worden behandeld.
Verder stelde de rechtbank vast dat verzoeker niet op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap (WNI) ten tijde van zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit had verkregen, omdat niet was aangetoond dat zijn vader ooit Nederlander was geweest. Verzoeker had ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn Nederlanderschap niet had verloren op grond van art. 7 WNI Pro of art. 15 RWN Pro.
In cassatie klaagde verzoeker tegen deze oordelen, maar de Hoge Raad verwierp het beroep omdat de rechtbank terecht had geoordeeld dat verzoeker en zijn ouders niet voldeden aan de voorwaarden van de Faciliteitenwet en niet was gebleken dat zij ooit Nederlander waren geweest. Klachten over het gelijkheidsbeginsel werden als ongeoorloofd novum afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat verzoeker of zijn ouders ooit de Nederlandse nationaliteit bezaten.