ECLI:NL:PHR:2013:BZ0163
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot vernietiging echtscheidingsconvenant wegens onvoldoende onderbouwing onrechtmatige daad
Partijen waren sinds 1972 gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2006 gescheiden met een ondertekend echtscheidingsconvenant. De vrouw vorderde aanvankelijk toewijzing van bepaalde panden en inzage in koopsompolissen, maar deze vorderingen werden door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep stelde zij vernietiging van de verdeling wegens dwaling, misbruik van omstandigheden en bedrog, en subsidiair schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de man.
Het hof verwierp het beroep op vernietiging wegens benadeling als verjaard en oordeelde dat er geen sprake was van bedrog of misbruik van omstandigheden. Het hof wees ook het beroep op onrechtmatige daad af omdat de vrouw onvoldoende had onderbouwd wat het onrechtmatig handelen inhield en welke gevolgen dit had, waardoor zij niet aan haar stelplicht voldeed.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had over de stelplicht, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de feitelijke beoordeling aan de feitenrechter had overgelaten en dat de vrouw onvoldoende onderscheid had gemaakt tussen haar vorderingen. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing van de onrechtmatige daad.