ECLI:NL:PHR:2013:BW9757
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Recht op aftrek omzetbelasting bij bouw stadskantoor met gemengd gebruik door gemeente
In deze zaak staat centraal of de gemeente recht heeft op aftrek van de in juli 2002 in rekening gebrachte omzetbelasting van €287.999 voor de bouw van een nieuw stadskantoor, dat voor 94% wordt gebruikt voor overheidshandelingen en voor 6% voor belaste en vrijgestelde ondernemersprestaties.
De Hoge Raad overweegt dat de gemeente in haar dubbele hoedanigheid als overheid en ondernemer handelt. Hoewel overheidshandelingen niet als ondernemer worden beschouwd voor de omzetbelasting, geldt dit niet voor de belaste prestaties. De vraag is of bij ingebruikneming van het gebouw in 2003 een levering in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (3-1-h-levering) heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad bevestigt dat de gehele onroerende zaak als één onsplitsbaar geheel geldt en dat de gemeente de bouwkosten als ondernemer heeft gemaakt, ook al is het gebruik deels overheidsmatig. De omzetbelasting is daarom in beginsel volledig aftrekbaar, met correctie bij ingebruikneming indien het werkelijke gebruik afwijkt. Dit oordeel volgt uit eerdere arresten, waaronder het duobakkenarrest en Europese jurisprudentie.
De conclusie is dat de gemeente recht heeft op aftrek van de omzetbelasting, ondanks het overheidsgebruik van het gebouw. Dit leidt tot vernietiging van het hofarrest en gegrondverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de gemeente recht heeft op aftrek van de in 2002 betaalde omzetbelasting voor de bouw van het stadskantoor ondanks het overheidsgebruik.