Conclusie
,
[verweerder 2],
[verweerster 3],
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
subonderdeel 1.1is het hof bij zijn beoordeling van de redelijkheid van het voorstel van [verweerder] van 1 juli 2008 ten onrechte voorbij gegaan aan het beroep van [eiseres] op haar opschortingsrecht, dan wel is zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 2moet er in cassatie veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat [verweerder] van 27 juni tot 1 juli 2008 in verzuim was, nu het hof heeft geoordeeld dat dit in het midden kan blijven (rov. 3.9, elfde volzin). Hieraan verbindt het onderdeel de nadere veronderstelling dat het hof heeft geoordeeld dat het voorstel van [verweerder] van 1 juli 2008 een (voldoende) aanbod tot zuivering was als bedoeld in art. 6:86 BW Pro. Geklaagd wordt dat dat oordeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat:
subonderdeel 2.1. Het hof heeft zijn oordeel gegeven tegen de achtergrond van de omstandigheden dat (i) geen oplevertermijn was overeengekomen (rov. 3.5, vijfde volzin), (ii) [eiseres] niet uit het feit dat [verweerder] het werk op 16 april 2008 had verlaten, mocht afleiden dat deze in de nakoming zou tekortschieten (rov. 3.7, slotzin), (iii) het werk nog niet gereed en opgeleverd was (rov. 3.7, tiende en elfde volzin; rov. 3.9, achtste volzin), (iv) [verweerder] reageerde kort na het verstrijken van de termijn van 10 dagen, (v) de situatie in de periode van 27 juni tot 1 juli 2008, naar ik begrijp, in wezen onveranderd bleef en (vi) [eiseres] − gezien de door onderdeel 1 vergeefs bestreden oordelen – (in ieder geval) na het voorstel van [verweerder] van 1 juli 2008 géén beroep op een opschortingsrecht (meer) toekwam. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat [eiseres], gezien haar opschortingsrecht, niet behoefde in te gaan op een voorstel om € 10.000,- te betalen, berust zij dus op een onjuist uitgangspunt.
subonderdeel 2.2betoogt, is het oordeel van het hof niet reeds onjuist of onvoldoende gemotiveerd, omdat daarin niet wordt vastgesteld dat tevens vergoeding van kosten en schade is aangeboden. [7] Het beroep hierop kan [eiseres] overigens niet baten, omdat uit de cassatiestukken niet blijkt waar [eiseres] in feitelijke instanties zich op het standpunt heeft gesteld dat zij nakoming door [verweerder] (in de zin van artikel 6:86 BW Pro) heeft geweigerd op de grond dat niet tevens betaling is aangeboden van inmiddels verschuldigd geworden schadevergoeding en kosten.
onderdeel 3wordt opgekomen tegen rov. 3.9, zevende volzin (“[eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat dit voorstel, gelet op de omvang van de nog te verrichten werkzaamheden, onredelijk was.”).
subonderdeel 3.1bouwt voort op de onderdelen 1 en 2 en deelt het lot ervan.
onderdeel 4worden eveneens klachten aangevoerd die betrekking hebben op rov. 3.9, zesde t/m negende volzin.
subonderdeel 4.1geen klacht die zich richt tegen de feitenweergave door het hof in rov. 2.10. Voor zover daarover wel wordt geklaagd, voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen nu niet duidelijk wordt gemaakt waarom het oordeel van het hof, dat sprake is van een aantal onvolkomenheden, een onbegrijpelijk ‘understatement’ zou zijn.
subonderdeel 4.1had het hof het deskundigenrapport dienen te betrekken in zijn beoordeling van de redelijkheid van het voorstel van [verweerder].
subonderdeel 4.2veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat “de (on)deugdelijkheid van de reeds uitgevoerde (en goeddeels al betaalde) werkzaamheden niet van belang is voor de beoordeling van de vraag of het voorstel van 1 juli 2008 redelijk is.” De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.