Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] )beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
sub 2.1-Iopgekomen tegen het meer algemeen luidende oordeel van het hof in rov. 3.5:
“Voorop gesteld dient te worden dat feiten en omstandigheden die destijds door het hof in de overwegingen zijn betrokken thans niet met succes door de man kunnen worden bestreden louter op de grond dat het oordeel van het hof over deze feiten en omstandigheden niet overeenkomt met het oordeel van de man. Voor zover deze feiten en omstandigheden door het hof in zijn beschikking van 23 november 2010 zijn betrokken en door de man thans geen nieuwe feiten en omstandigheden worden gesteld die tot een ander oordeel aanleiding geven, moet het beroep van de man falen, aangezien er dan sprake zou zijn van een verkapt beroep tegen de beschikking van 23 november 2010. Tegen deze beschikking als zodanig staat geen rechtsmiddel meer open en het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat eraan in de weg dat langs deze weg een verkapt beroep kan worden ingesteld.”Betoogd wordt dat het hof door expliciet nieuwe feiten en omstandigheden te eisen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent (de betekenis van) artikel 1:401 lid 4 BW Pro (voor het aan een alimentatiebeslissing toekomende gezag van gewijsde). Dat artikel maakt het immers mogelijk een eerdere beslissing inzake levensonderhoud te wijzigen of in te trekken op de grond dat de betrokken rechter is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, waardoor de beslissing van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Daaraan staat niet in de weg dat tegen de betrokken beslissing een rechtsmiddel nog openstaat of heeft opengestaan.
( [3] ):
( [4] ), waarin de Hoge Raad onder meer overweegt:
louterop de grond dat het oordeel van het hof over deze feiten en omstandigheden niet overeenkomt met het oordeel van de man. In het licht van deze vooropstelling is de eis van het stellen van nieuwe feiten en omstandigheden in die zin te begrijpen dat voor het van toepassing zijn van lid 4 van artikel 1:401 BW Pro niet volstaat om de feiten en omstandigheden, die al door het hof in beschouwing zijn genomen, nog eens aan hem ter beoordeling voor te leggen. Er moeten nieuwe feiten en omstandigheden ter beoordeling worden voorgelegd. Die nieuwe feiten en omstandigheden moeten erop gericht zijn om de onjuistheid en/of onvolledigheid aan te tonen en op te heffen, waarvan – naar wordt gesteld – sprake is bij het geheel van gegevens, waarop de bestreden beslissing van 23 november 2010 rust. Blijkt uit de nieuwe feiten en omstandigheden van de gestelde onjuistheid en/of onvolledigheid, dan is de volgende stap of het geheel van de dan ter beoordeling voorliggende gegevens aanleiding geeft om de bestreden beslissing te wijzigen. Het hof zegt in rov. 3.5 niet dat de nieuwheid van de nieuwe feiten en omstandigheden (mede) hierin dient te zijn gelegen dat de betrokken feiten en omstandigheden nog niet eerder, d.w.z. nog niet in de procedure die tot de beschikking van 23 november 2010 heeft geleid, zijn gesteld. Bezien tegen de hiervoor geschetste achtergrond geeft het hof met zijn eis van nieuwe feiten en omstandigheden geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 1:401 lid 4 BW Pro.
“De man heeft ter zitting erkend dat deze zeer hoge accountants- en advieskosten ten laste van de winst zijn gebracht, maar veroorzaakt zijn door perikelen rondom de echtscheiding en ook de advocaatkosten ter zake van de echtscheiding betreffen. Het hof zal deze kosten, conform het Rapport Werkgroep Alimentatienormen, dan ook buiten beschouwing laten en het resultaat over de eerste acht maanden van 2010 vermeerderen met het bedrag van € 27.133,-, zodat het resultaat over de eerste acht maanden van 2010 € 43.437,- bedraagt. Indien deze winst wordt geëxtrapoleerd, leidt dat tot een resultaat over 2010 van 12/8 x € 43.437,- = € 65.165,-.”Tegen deze beslissing komt de man op in de door hem bij de rechtbank Breda gestarte procedure tot wijziging van de beschikking van 23 november 2010.
( [5] )In rov. 3.7.1 van haar beschikking van 11 oktober 2011 overweegt de rechtbank:
“De bezwaren van de man tegen de door het gerechtshof gehanteerde correcties op het resultaat in verband met de hoge accountants- en advieskosten worden gepasseerd. Blijkens voormelde beschikking en in het bijzonder rechtsoverweging 3.9 heeft het gerechtshof de argumenten van partijen ter zake afgewogen en op basis van de overgelegde stukken en de stellingen van partijen ter zitting een beslissing op dit punt genomen. De man heeft geen nieuwe gegevens in het geding gebracht, waaruit blijkt dat het gerechtshof dit oordeel heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens. Een eventuele onjuistheid of onvolledigheid van de weging van de weging van de feiten door het gerechtshof kan niet langs de weg van artikel 1:401 lid 4 BW Pro maar slechts door middel van hoger beroep of beroep in cassatie aan de orde worden gesteld.”Hiertegen keert zich de tweede in appel aangevoerde grief. In het kader van die tweede grief wordt onder meer opgemerkt:
“Het hof is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens door álle accountants- en advocatenkosten die als kosten zijn geboekt buiten beschouwing te laten.”De tweede grief verwerpt het hof in rov. 3.8 van zijn in de onderhavige cassatieprocedure bestreden beschikking. Het Hof overweegt onder meer:
“De nadere overwegingen van de man thans zijn niet te beschouwen als nieuwe feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de beschikking van 23 november 2010 op onjuiste grondslag is gebaseerd, mede gezien in het licht van de uitlatingen van de man ter zitting destijds.”Het hof acht, zo blijkt uit deze overweging, het door de man ingeroepen artikel 1:401 lid 4 BW Pro niet van toepassing, omdat de man niet heeft aangetoond dat het hof ’s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 23 november 2010 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
“(…) dat die hogere kosten het gevolg zijn van het feit dat de vrouw vanaf 2009 de boekhouding niet langer doet en de man die werkzaamheden daarom heeft moeten uitbesteden aan het accountantskantoor. Daardoor komt hij tot aanzienlijk hogere kosten dan het hof heeft aangenomen. Aldus is er, anders dan het hof overweegt, weldegelijk sprake van voldoende onderbouwde feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het hof in zijn beschikking van 23 november 2010 van onjuiste of onvolledige feiten en omstandigheden is uitgegaan, waarbij het er gelet op het in 2.1.1 gestelde […] niet toe doet of het hof de fout heeft gemaakt, dan wel dat de man in die procedure zich niet heeft beroepen op het feit dat zijn accountants- en administratiekosten zijn gestegen als gevolg van het feit dat de vrouw de administratie van het bedrijf niet meer voert.”
( [6] )Tegen deze achtergrond bezien, valt te begrijpen dat het hof in het alsnog opbrengen door de man van het feit dat de door de vrouw verrichte administratiewerkzaamheden door de accountant zijn overgenomen, geen aanleiding heeft gevonden om te oordelen dat het hof ’s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 23 november 2010 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Want of genoemd feit in financieel opzicht werkelijk relevante gevolgen heeft gehad, is niet duidelijk gemaakt en bijgevolg ook niet dat de door het hof in zijn beschikking van 23 november 2010 aangehouden gegevens voor de bepaling van de partneralimentatie in verband met dit feit onjuist of onvolledig zijn geweest.
( [7] )Deze klacht treft, naar het voorkomt, doel. Uit de rov. 3.10 en 3.11 valt niet, althans niet met voldoende zekerheid, af te leiden of dan wel hoe het hof met het beroep op deze gewijzigde omstandigheid rekening heeft gehouden. Het afwijzen van de stelling van de man dat er sprake was van een verslechtering van zijn gezondheid impliceert niet zonder meer dat ervan mag worden uitgegaan dat de weggevallen arbeidsongeschiktheidsuitkering weer werd gecompenseerd of kon worden gecompenseerd met inkomsten uit arbeid of de onderneming.
sub 2.2-IIIkomt hierop neer dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in de door de man in zijn akte van vermeerdering van zijn verzoek d.d. 29 mei 2012 gestelde daling van het ondernemersresultaat in 2011 van € 19.466,- naar € 8.530,- geen relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro heeft gezien. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het hof niet heeft vastgesteld dat de zojuist vermelde bedragen als zodanig onjuist of ondeugdelijk zijn.
( [8] )De vrouw heeft de door de man gestelde verlaging van het ondernemingsresultaat in 2011 bestreden op de voet dat vele door de man opgevoerde posten, die tot de verlaging van het ondernemingsresultaat zouden hebben geleid, niet juist zijn; zie de Pleitnota aan haar zijde voor de zitting van 29 mei 2012 bij het hof, sub 2 e.v. Hetgeen daar wordt aangevoerd komt hierop neer dat vele opgevoerde posten niet juist zijn in die zin dat zij niet werkelijk gedane uitgaven of getroffen voorzieningen betreffen en dat sommige posten betrekking hebben op niet te rechtvaardigen uitgaven of voorzieningen. Het hof oordeelt dat de man in het licht van de betwisting van de vrouw de beweerde verlaging van het ondernemingsresultaat in 2011 onvoldoende heeft onderbouwd, ook in die zin dat hij onvoldoende heeft onderbouwd waarom de kosten bij gelijkblijvende omzet zo dienen te stijgen als door hem gesteld. Dat oordeel komt hierop neer dat de man volgens het hof onvoldoende heeft gesteld om de beweerde verlaging van het ondernemingsresultaat in 2011 als een gewijzigde omstandigheid te kunnen beschouwen die relevant is in de hierboven vermelde betekenis. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.