Conclusie
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
Middel 1klaagt dat het hof art. 287 lid 1 Fw Pro heeft geschonden door het vonnis ten onrechte niet ambtshalve te vernietigen op de grond dat de rechtbank de toepassing van twee verzoeken, van twee schuldenaars, in één vonnis heeft afgedaan. Uit hoofde van art. 287 lid 1 Fw Pro, betoogt het middel, heeft elke schuldenaar recht op een eigen vonnis, waarbij wordt onderzocht of hijzelf, los van andere verzoekers, aan de toetredingsvereisten voldoet. Deze bepaling is volgens het middel van openbare orde.
Middel 2klaagt dat het hof in r.o. 2 art. 288 lid 2 onder Pro d Fw heeft geschonden door de toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen mede op de grond dat niet was voldaan aan de wachttijd van tien jaren. Het hof overwoog hierover in r.o. 2 als volgt:
Middel 3klaagt dat het hof art. 288, eerste lid, onder b, Fw heeft geschonden, omdat het in r.o. 8.3 (i.e. de tweede alinea met randnummer 8.2) oordeelde dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij handelingen waarop zij geen invloed kon hebben. Door het ontstaan en onbetaald laten toe te schrijven aan "[betrokkene] c.s." – lees: [betrokkene] cum suis – en vervolgens de verzoeken van beide echtelieden 'en bloc' af te wijzen, rust de afwijzing ten aanzien van verzoekster mede op het gebrek aan goede trouw bij [betrokkene], hetgeen onrechtmatig is jegens verzoekster.
Middel 4klaagt over schending van art. 288, eerste lid, onder b, Fw, doordat het hof in r.o. 8.2 oordeelde dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij handelingen waarop zij wél invloed kon hebben. Op 4 juli 2011, de dag voor haar huwelijk, had verzoekster geen problematische schulden. De telefoonabonnementen zijn gesloten vóór het huwelijk. Nimmer zou verzoekster in een faillissementstraject zijn beland indien zij op huwelijkse voorwaarden was getrouwd. De overweging van het hof dat verzoekster op het moment van aangaan van de abonnementen al een schuld had aan de zorgverzekeraar, is onjuist. De enig denkbare rechtshandeling waarbij verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden mogelijkerwijs niet te goeder trouw kan zijn geweest, zou haar instemming zijn met het huwelijk buiten huwelijkse voorwaarden. Dit kwalificeert volgens het middel niet als gebrek aan goede trouw. Door mede verhaal te bieden aan de schuldeisers van haar echtgenoot heeft zij immers de schuldeiseres bevoordeeld, niet benadeeld. Het hof miskende mitsdien dat het sluiten van een huwelijk met een schuldenaar in gemeenschap van goederen niet kan worden aangemerkt als een tekortkoming aan goede trouw ten aanzien van het ontstaan van schulden.
Middel 5betoogt dat het hof art. 288 lid 3 Fw Pro in r.o. 8.3 onjuist heeft uitgelegd. Het hof overwoog hier als volgt: