Conclusie
1.Voorgeschiedenis
2.Bespreking van de cassatieklachten
“(…) of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar – [in artikel 351 lid Pro 3, sub c FW] – genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (vgl. HR 4 november 2005, nr. R04, NJ 2006, 135). Mede gelet op totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en van de voorganger ervan, (…), ligt hierin besloten dat voor toepassing van de bedoelde opheffingsgronden vereist is dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt” (rov. 3.3.2).