Conclusie
2.Procesverloop
a.dat TEP recht heeft op het volledige onder de bankgarantie uitgekeerde bedrag en, voor zover haar schade door o.m. leegstand niet lager blijkt dan het volledige bedrag van de bankgarantie,
b.een concurrente vordering heeft op de curator voor geleden en nog te lijden leegstandschade ad (primair) € 10.521.338 dan wel (subsidiair) € 246.704.
3.Beoordeling van het cassatieberoep
rechtsklachtheeft het hof in de
eersteplaats miskend dat het beding tot vergoeding van de leegstandschade ten gevolge van opzegging door de curator op de voet van art. 39 Fw Pro
niet onverenigbaar is met (de strekking van) art. 39 Fw Pro, gelet op de door TEP gestelde
omstandigheden, waarvan het hof niet heeft geoordeeld dat deze onjuist zouden zijn.
tweedewordt geklaagd dat het hof (althans dan wel tevens) heeft miskend dat de
belangenafwegingwaarop art. 39 Fw Pro berust (te weten een afweging van enerzijds het belang van de boedel tot voorkoming van het oplopen van boedelschulden ter zake van niet langer gewenste huurverhoudingen en anderzijds het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs) in een geval als het onderhavige
niet geldt.
motiveringsklachtluidt dat in het licht van de door TEP gestelde feiten en omstandigheden 1) t/m 9) zonder nader toelichting niet valt in te zien dat en waarom (i) het beding tot vergoeding van leegstandschade niet verenigbaar zou zijn met (de strekking van) art. 39 Fw Pro, (ii) het resultaat van de door de wetgever gemaakte belangenafweging waarop art. 39 Fw Pro berust, in casu niet wordt doorbroken en/of (iii) de omstandigheid dat de huurovereenkomst(en) deel uitmaakte(n) van een in het kader van een herfinanciering opgezette sale-and-lease-backtransactie geen valide argument zou opleveren tegen de toepasselijkheid van de door de Hoge Raad in voornoemd arrest geformuleerde rechtsregel op het onderhavige geval.
huurovereenkomsten – aan de belangen van TEP in haar hoedanigheid van
koperin het onderhavige geval te meer pleit dat de sale-and-lease-backconstructie niet beperkt is tot de partijen bij de huurovereenkomsten, maar een driepartijenverhouding behelst: [betrokkene] c.s. als verkoper, TEP als koper-verhuurder en Autodrôme Holding B.V. als huurder. De huurder is aldus niet tevens bij de koopovereenkomst betrokken; daardoor regardeert het verkopersbelang van de verhuurder de huurder des te minder.
subonderdeel II.1aangevoerd dat het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de feiten en omstandigheden die in middelonderdeel I.2 naar voren zijn gebracht. Daaruit blijkt dat weldegelijk sprake is van een zodanige onbalans in het samenstel van afspraken dat dit de conclusie rechtvaardigt (althans kan rechtvaardigen) dat sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de curatoren naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst(en) (die tezamen de sale-and-lease-back transactie vormen) niet mogen verwachten. Immers, TEP heeft een koopprijs van € 18,6 mln. betaald voor de door haar gekochte onroerende zaken, waarvan de waarde volledig afhankelijk was van de in de toekomst ontvangen huurpenningen uit de verhuur van die onroerende zaken, maar TEP heeft slechts een zeer klein deel van deze huurpenningen ontvangen en zij kon (in ’s hofs benadering) geen aanspraak maken op vergoeding van de leegstandschade door middel van het trekken onder de bankgaranties.
subonderdeel II.2wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat
“TEP in dat opzicht haar stellingen geenszins concreet heeft gemaakt”onbegrijpelijk is in het licht van de door TEP gestelde en in middelonderdeel I.2 samengevat weergegeven feiten en omstandigheden. Daaruit volgt immers dat TEP wel degelijk voldoende concreet heeft gesteld dat sprake is van een onbalans in de samenstel van afspraken, aangezien TEP een koopprijs van € 18,6 heeft betaald voor de door haar gekochte onroerende zaken, waarvan de waarde volledig afhankelijk was van de in de toekomst ontvangen huurpenningen uit de verhuur van die onroerende zaken, maar TEP slechts een zeer klein deel van deze huurpenningen heeft ontvangen en zij (in ’s hofs benadering) geen aanspraak kon maken op vergoeding van de leegstandschade door middel van het trekken onder de bankgaranties.