Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
LJNBW7837,
NTFR2012/1744 met noot Jansen. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
(…)
Vestiging beperkte rechten van gebruik en van bewoning
Verkoper zal hierna ook worden aangeduid als “de gebruiker”, koper zal hierna ook worden aangeduid als “de eigenaar”, terwijl de te vestigen rechten hierna samen zullen worden aangeduid als “het recht”.
2. Het recht gaat in op de dag van ondertekening van de akte van levering, en eindigt op de dag dat de gebruiker is overleden, dan wel zoveel eerder als:
9. De eigenaar kan het registergoed slechts vervreemden met de voorafgaande schriftelijke toestemming van de gebruiker. Onder “vervreemding” is niet begrepen het vestigen van het recht van hypotheek.
B (…)
Tussen partijen is overeengekomen dat de koopprijs zal worden aangewend ter voldoening van hypotheken en beslagen waarmee het verkochte na inschrijving is belast en dat verkoper alleen op een daarna resterend saldo aanspraak kan maken, welk resterend saldo derhalve aan hem wordt overgeboekt.
4.8 De vrijstelling geldt slechts voor zover door de verbetering de waarde van het verkregene ten tijde van de verkrijging is toegenomen (vgl. HR 7 december 2001, nr. 36.373, LJN AD6776, BNB 2002/97). Het bedrag van de kosten van de verbetering is derhalve niet relevant.
3.Het geding in cassatie
4.Relevante regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
BNB1993/232, heeft de Hoge Raad in een overdrachtsbelastingzaak overwogen: [22]
BNB2007/194 heeft de Hoge Raad met betrekking tot de waardering naar waarde in het economisch verkeer voor de Successiewet van de tot overlijden van de erflater, de vader van de betreffende belanghebbende, gezamenlijk bewoonde woning, waar de weduwe nadien is blijven wonen, het volgende overwogen: [24]
2.Is er in casu een goederenrechtelijk recht gevestigd?
Wetgeving
NJ1984, 175 heeft het gerechtshof te Arnhem ten aanzien van de vraag of recht van gebruik en bewoning kan worden gevestigd op een afzonderlijke kamer in een gebouw overwogen: [32]
3.Formele en cassatietechnische kwesties
Wetgeving
BNB1989/199 betreft de kwalificatie van een overeenkomst, in dat geval als arbeidsovereenkomst of maatschapsovereenkomst. Uitgaande van de vastgestelde feiten geeft de Hoge Raad zonodig een eigen rechtens juist te achten kwalificatie. [41]
BNB1993/199 casseerde de Hoge Raad een uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam vanwege een onjuiste opvatting over het karakter van de titel van een verkrijging. Het betreffende gerechtshof had geoordeeld dat een transactie meer het karakter droeg van koop en verkoop dan van inbreng. De Hoge Raad achtte de hiertegen gerichte middelen gegrond:
BNB1998/29 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter niet is gebonden aan de juridische opvattingen van partijen. [42]
4.2. Het middel faalt, aangezien het miskent dat de rechter bij het verbinden van juridische kwalificaties aan de ten processe vaststaande feiten niet is gebonden aan de dienaangaande door partijen te berde gebrachte opvattingen.
5.Beschouwing
het recht van medegebruik van het restant van het registergoed, met uitzondering van de slaapkamer van koper en diens echtgenote (ten aanzien waarvan het recht van gebruik alleen zal toekomen aan koper en diens echtgenote).’ [66] Weliswaar is in de eerste zin van het bepaalde vermeld dat de ‘rechten strekken tot gebruik en bewoning van het gehele registergoed’, maar uit het overigens bepaalde blijkt naar mijn mening duidelijk dat de bepaling in zijn geheel beschouwd niet strekt tot vestiging op het gehele goed.