Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 juli 1990 – 31 maart 1991
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een bestuurder ([eiser]) en de Belastingdienst (de Ontvanger) over de wijze van invordering van een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 juli 1990 tot 31 maart 1991. Zowel [eiser] als een medebestuurder ([betrokkene]) werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld van hun B.V., die failliet was gegaan.
De Ontvanger sloot een regeling met [betrokkene] waarbij deze minder betaalde dan [eiser]. [Eiser] stelde dat dit een schending van het gelijkheidsbeginsel was en vorderde gelijke behandeling. Het Hof oordeelde dat de verschillende behandeling gerechtvaardigd was door de verschillen in vermogenspositie en verhaalsmogelijkheden van de bestuurders.
De Hoge Raad bevestigde dat bij hoofdelijke aansprakelijkheid de ontvanger vrij is in de keuze wie hij aanspreekt voor de gehele schuld, waarbij geen strenge motiveringsplicht geldt zolang de keuze samenhangt met verhaalsmogelijkheden. Het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden indien de ontvanger zich laat leiden door de feitelijke draagkracht van bestuurders. De vordering van [eiser] werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de ontvanger de bestuurder met de beste verhaalsmogelijkheden mag aanspreken zonder schending van het gelijkheidsbeginsel.