Conclusie
onder aRv. Het oordeel dat de omstandigheid dat de brieven ontlastend bewijsmateriaal zouden kunnen opleveren op zichzelf nog niet meebrengt dat sprake is van ‘bedrog’, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor bedrog is immers een handelen of nalaten met een bedrieglijk karakter vereist. Er moet sprake zijn van een oneerlijke proceshouding, die belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van de procedure zouden kunnen leiden [7] . Daarmee onderscheidt de onder a genoemde grond zich van de in artikel 382 onder Pro c genoemde grond voor herroeping [8] . De klacht dat het hof miskent dat het bedrog hierin bestaat dat [verweerder] de rechter niet heeft geïnformeerd over het bestaan van deze (voor de uitkomst van de procedure relevante) brieven, respectievelijk dat hij deze brieven heeft achtergehouden, ziet eraan voorbij dat het hof heeft overwogen – en dat in cassatie niet met succes is bestreden – dat niets concreets is gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [verweerder] tijdens de procedure bekend was met het bestaan en de relevantie van beide brieven.
onder cis bedoeld, faalt de klacht evenzeer. Er is geen duidelijke klacht gericht tegen de overweging dat [eiser] niets concreets heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat de brieven door toedoen van [verweerder] waren achtergehouden, noch heeft aangeduid waarin dit toedoen dan zou hebben bestaan. In het licht van de in cassatie niet met succes bestreden overwegingen van het hof is het oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld, niet onbegrijpelijk.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.