Conclusie
[verdachte]
eerste middelklaagt erover dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat is voldaan aan het in art. 318, tweede lid (oud), Sr gestelde klachtvereiste.
tweede middelbetreft de beslissing op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen
derde middelklaagt erover dat de bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die onderling tegenstrijdig zijn en onmogelijk kunnen bijdragen tot het bewijs van daderschap.
vierde middelsignaleert terecht dat in de overwegingen van het Hof eenmaal (p. 6, eerste volle alinea) ten onrechte wordt verwezen naar gegevens die zijn aangetroffen “in auto van [verdachte]”, aangezien die auto blijkens de bewijsmiddelen toebehoorde aan de medeverdachte [medeverdachte].