Reeds uit de omstandigheid dat verdachte bij herhaling heeft gezegd, laatstelijk nog op de ochtend van de dag dat hij zijn ex-echtgenote heeft gedood, dat hij haar zal doden, in onderlinge samenhang bezien met de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het voorval een mes, qua formaat geschikt om een diepe steekwond te veroorzaken, onder handbereik had liggen, volgt verdachtes voorbedachte raad.
Gelet hierop schuift het hof verdachtes stelling dat hij in een opwelling heeft gestoken en dat er mitsdien geen sprake is geweest van voorbedachte raad, als hoogst onaannemelijk ter zijde.
Ten overvloede overweegt het hof voorts het volgende.
Vaststaat dat de opgestikte broekzak van de werkbroek waarin de verdachte dit mes beweerdelijk op 27 juni 201 1 heeft gedragen, maximaal 20 cm diep is (bijlage bij proces-verbaal PL202M 2011128840-119 (verhoor getuige [getuige 1]) d.d. 25 januari 2012 foto 2).
De verdachte heeft verklaard dat hij het mes regelmatig bij zich droeg en gebruikte om fruit te schillen. Het zou dan gaan om fruit dat hij op zijn werk nuttigde in de loop van de middag. Het mes zou hij op die dagen bij zich hebben gedragen in zijn werkbroek waarop zakken zijn gestikt waarin ook gereedschap kan worden gestoken. Hij droeg het mes dan met de punt naar beneden gericht, in die zak.
Verdachte heeft tevens verklaard dat hij dat mes op de ochtend van die 27e juni 201 1 ook bij zich had gestoken in zijn werkbroek. Hij is die dag eerder naar huis gegaan omdat hij de middag vrij had maar heeft desalniettemin de gehele dag zijn werkbroek aangehouden met daarin gestoken voornoemd mes. Op het einde van de middag is zijn ex-echtgenote bij hem thuis gekomen en zijn zij op enig moment naar de slaapkamer gegaan alwaar zij seks hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat zijn werkbroek toen op het nachtkastje lag aan de zijde van het bed waar hij lag, dat hij na de seks naar zijn shag reikte die in zijn werkbroek zat en dat hij toen het mes voelde, het pakte en in één beweging zijn ex-echtgenote doodstak.
Het hof acht verdachtes verklaring dat het mes waarmee hij heeft gestoken regelmatig bij zich droeg om de voormelde redenen en dat hij het ook die 27e juni 2011 bij zich droeg in zijn werkbroek, hoogst onaannemelijk. Het mes waar het om gaat is qua grootte niet een voor de hand liggend mes om - standaard - als fruitmes te hanteren.
Belangrijker evenwel acht het hof de omstandigheid dat (i) geen van de daarover bevraagde naaste collega's van verdachte heeft verklaard dat zij verdachte ooit op het werk hebben gezien met dat mes terwijl zij evenmin hebben zij gezien dat verdachte op het werk fruit schilde en nuttigde en (ii) de lengte van het mes in relatie tot de diepte van de broekzak waarin het op die 27e juni beweerdelijk was gestoken het hoogst onaannemelijk maakt dat verdachte dat mes de hele dag bij zich heeft gedragen in voornoemde broekzak en dat het zich voorts nog in die broekzak zou hebben bevonden op het moment dat die broek op het nachtkastje is gelegd.
Gelet hierop acht het hof verdachtes lezing met betrekking tot de reden waarom het mes op het nachtkastje lag, hoogst onaannemelijk.
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.”