ECLI:NL:PHR:2013:2404

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2013
Publicatiedatum
21 januari 2014
Zaaknummer
13/02391
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78.5 ROArt. 427 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in cassatieberoep wegens eerdere onherroepelijke afdoening

In deze zaak heeft verdachte tweemaal beroep in cassatie ingesteld tegen hetzelfde arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Het eerste cassatieberoep werd door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de wettelijke termijn middelen waren ingediend door een raadsman.

Ondanks deze eerdere niet-ontvankelijkverklaring werd een tweede cassatieberoep ingediend tegen hetzelfde arrest. De Hoge Raad oordeelt dat dit tweede beroep niet ontvankelijk kan worden verklaard omdat de zaak reeds onherroepelijk is afgedaan met de uitspraak van 23 oktober 2012.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Dit volgt uit de toepassing van art. 78.5 RO jo. art. 427 Sv Pro en de eerdere uitspraak van de Hoge Raad.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens eerdere onherroepelijke afdoening.

Conclusie

Nr. 13/02391
Zitting: 17 december 2013
Mr. Hofstee
Aanvullende conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Omdat de gedingstukken daartoe aanleiding geven, heeft Uw Raad mij verzocht in de onderhavige zaak aanvullend te concluderen. Aan dit verzoek voldoe ik graag met deze aanvullende conclusie.
2. In mijn conclusie van 19 november 2013 heb ik mij op het standpunt gesteld dat het beroep in cassatie van verzoeker met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
3. In deze aanvullende conclusie zal ik opnieuw tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep concluderen, nu echter niet op een in art. 80a RO genoemde grond, maar om een andere reden.
4. De stukken van het geding blijken namelijk het volgende in te houden. Op 16 februari 2012 is namens verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen het op 14 februari 2012 door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gewezen arrest met parketnummer 20-000392-11, dit is het bestreden arrest in de onderhavige zaak (verder te noemen het arrest van het Hof). Bij arrest van 23 oktober 2012 (zaaknummer 12/02961) is verzoeker door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen het arrest van het Hof, omdat verzoeker niet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen had doen indienen. Op 20 december 2012 is namens verzoeker echter ten tweeden male beroep in cassatie ingesteld tegen het(zelfde) arrest van het Hof. Het dossier is vervolgens opnieuw naar de Hoge Raad gezonden, waar de zaak onder nr. 13/02391 is geregistreerd.
5. Nu met de uitspraak van Uw Raad van 23 oktober 2012 de onderhavige zaak in cassatie reeds onherroepelijk is afgedaan, zal op grond daarvan verzoeker in het onderhavige beroep niet kunnen worden ontvangen.
6. Deze aanvullende conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG