Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof ‘te weinig’ heeft ‘vastgesteld aangaande het mogelijk dodelijke letsel van het slachtoffer en de gedragingen van verzoeker om te kunnen komen tot een bewuste aanvaarding door verzoeker van de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer door het handelen van verzoeker.’
tweede middelwordt geklaagd over een inbreuk op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, zoals is bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken van het geding op 10 april 2013 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 12 juni 2012 cassatieberoep is ingesteld. Tot cassatie behoeft dit niet te leiden nu de verdachte, gelet op de afdoening van het eerste middel, niet voldoende belang heeft bij het cassatieberoep. [2]