ECLI:NL:PHR:2013:2375

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2013
Publicatiedatum
8 januari 2014
Zaaknummer
13/04893
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 1:254 lid 1 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen verlenging ondertoezichtstelling kinderen

De vader van drie kinderen, die sinds januari 2012 onder toezicht zijn gesteld, stelde cassatieberoep in tegen de verlenging van deze ondertoezichtstelling door de rechtbank en het hof. Het hof had de verlenging bekrachtigd en de belangen van de kinderen en het risico bij uitblijven van verlenging uitvoerig gemotiveerd.

Het cassatieberoep bevatte een algemeen geformuleerde rechts- en motiveringsklacht, waarbij de deelklachten onvoldoende concreet waren en niet voldeden aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld. Het beroep op alternatieve beschermingsvormen werd niet gespecificeerd en het argument van een 'verkapte uithuisplaatsing' werd door het hof gemotiveerd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de belangen van de kinderen en de noodzaak van voortzetting van de ondertoezichtstelling voldoende had gemotiveerd, ook in het licht van het belang van de kinderen zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De klachten van de vader waren onvoldoende concreet en konden niet tot cassatie leiden.

Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a lid 1 RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

13/04893
Mr. F.F. Langemeijer
13 december 2013 (art. 80a RO)
Conclusie inzake:
[de vader]
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg (Zoetermeer)
1. Verzoeker tot cassatie is de vader van drie kinderen, geboren in 2000, 2001 en 2004. Deze zijn op 18 januari 2012 onder toezicht gesteld op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Laatstelijk bij beschikking van (de kinderrechter in) de rechtbank Den Haag van 29 januari 2013 is de ondertoezichtstelling verlengd. Op het tegen die beslissing door de vader ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag op 17 juli 2013 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
2. Het − tijdig ingestelde − cassatieberoep omvat één algemeen geformuleerde rechts- en motiveringsklacht [1] . Het middel bestrijdt niet de door het hof gebruikte, aan art. 1:254 lid 1 BW Pro ontleende maatstaf (rov. 6). De middelonderdelen 1 - 3 dienen slechts ter inleiding. De deelklacht onder 4 (over mogelijke andere beschermingsvormen dan een o.t.s.) voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld [2] : het cassatierekest preciseert niet welke alternatieven zijn bedoeld, noch in welk gedingstuk daarop een beroep zou zijn gedaan. Het in onderdeel 5 bedoelde argument van de “verkapte uithuisplaatsing” is door het hof uitdrukkelijk onderkend in rov. 4 en in rov. 7 en 8 verworpen op gronden die de beslissing tot verlenging van de o.t.s. kunnen dragen.
3. Het beroep van de vader op art. 8 EVRM Pro (waarover de deelklachten onder 5 en 6 gaan) is door het hof op toereikende gronden verworpen in rov. 8. Het hof heeft de aard van het risico indien verlenging van de o.t.s. zou uitblijven, voor ieder van de drie kinderen, uiteengezet in rov. 7. Dat het hof uit de overgelegde rapportage en het verhandelde ter zitting een andere gevolgtrekking heeft gemaakt dan de vader doet, brengt nog niet mee dat de redengeving van de beslissing onbegrijpelijk is. Het middel legt niet de vinger op een concrete redeneerfout. De in deelklacht 7 bestreden overweging op blz. 4 moet in haar context worden gelezen en houdt verband met het daarop volgende oordeel, te weten: dat het in het belang van de kinderen is dat zij de ingezette behandeling kunnen blijven volgen, dat een gezinsvoogd daarop toezicht blijft houden en dat deze zorg draagt voor hulp en begeleiding. Van de vader verwacht het hof, om de aldaar door het hof genoemde reden, niet dat hij hulpverlening in een vrijwillig kader zal steunen.
4. De slotsom is dat de klachten kennelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
5. De
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 R.O.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.Het beroep is op 15 oktober 2013 ingesteld. Van het daarbij gemaakte voorbehoud tot aanvulling van het middel, na ontvangst van een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, is geen gebruik gemaakt.
2.Zie voor die eisen onder meer: HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0828.