Conclusie
[verdachte]
eerste middelkomt op tegen het oordeel van het Hof dat is voldaan aan het in art. 318, tweede lid (oud), Sr gestelde klachtvereiste.
tweede middelbevat de klacht dat het Hof de door en namens de verdachte betrokken stelling dat hij zijn auto en laptop had uitgeleend ten onrechte in het midden heeft gelaten, aangezien deze stelling, indien juist, aan bewezenverklaring in de weg staat
derde middelfaalt.
vierde middelslaagt evenmin. Het feitelijk deel van de tenlastelegging van feit 3, waarin is omschreven dat de verdachte en zijn mededaders contact met de aangever [betrokkene 2] hebben gezocht en hem hebben medegedeeld dat er foto’s waren gemaakt van diens bezoek aan een privéhuis en dat degenen die de foto’s hadden gemaakt geld wilden zien, kan aldus worden uitgelegd dat die mededeling tevens inhield dat [betrokkene 2] bij het weigeren van betaling moest accepteren dat derden die foto’s van zijn bezoek aan een bordeel te zien zouden krijgen. Die mededeling kan worden aangemerkt als bedreiging met het openbaren van een geheim, dat wil zeggen bekendmaking van een gegeven waarvan kan worden aangenomen dat [betrokkene 2] openbaarmaking zou willen voorkomen. Voor het bewijs van dit ‘geheim’ is, anders dan het middel kennelijk veronderstelt, niet van belang of [betrokkene 2] dat bordeel werkelijk had bezocht en daarvan werkelijk foto’s waren gemaakt. Ook zonder bewijs van zulk (werkelijk) bezoek aan een bordeel en het vastleggen daarvan kan immers worden aangenomen dat [betrokkene 2] de suggestie dat foto’s zouden worden verspreid waarop het wordt voorgesteld alsof hij een bordeel heeft bezocht kon opvatten als het dreigen met openbaarmaking van iets dat hij geheim wilde houden.
vijfde middelfaalt op dezelfde grond als het derde middel. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, kon het Hof afleiden dat de verdachte bij de voorbereiding en/of uitvoering van het onder 3 tenlastegelegde feit zodanig actief betrokken is geweest dat hij dat feit als medepleger heeft begaan. Opmerking verdient in dit verband dat het Hof blijkens zijn bewijsoverwegingen belang heeft toegekend (hetgeen het Hof vrij stond) aan de gelijkenis in de uitvoering van enerzijds de feiten 1 en 2, en anderzijds feit 3.
zesde middelbevat de klacht dat de strafmotivering ontoereikend is, en met name niet is voldaan aan het in art. 359, zesde lid, Sv gestelde vereiste.