ECLI:NL:PHR:2013:2240

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2013
Publicatiedatum
23 december 2013
Zaaknummer
12/02731
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10 lid 5 OpiumwetArt. 2 onder A OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor medeplegen voorbereiden productie XTC-pillen

Het hof Leeuwarden heeft verdachte op 23 mei 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren wegens medeplegen van het voorbereiden van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet. Verdachte zou samen met anderen een tabletteermachine in een loods te Hoogeveen hebben ondergebracht en daaraan hebben gesleuteld, bestemd voor de productie van XTC-pillen.

Verdachte stelde in cassatie drie middelen aan de orde. Het eerste middel betrof de motivering van de bewezenverklaring omtrent het moment en de wijze van het onderbrengen van de tabletteermachine, waarbij tegenstrijdige verklaringen van medeverdachten werden besproken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijsconstructie mocht baseren op verklaringen die samenhangend en in onderlinge verband voldoende waren en dat de tegenstrijdige verklaring kon worden weggelaten zonder de draagkracht van het bewijs te ondermijnen.

Het tweede middel betrof de vraag of het hof voldoende nauwkeurig had gemotiveerd dat verdachte de koffer met gereedschap, die bij de tabletteermachine was aangetroffen, van de ene naar de andere loods had gebracht. De Hoge Raad vond de bewijsvoering hiervoor toereikend en verwierp dit middel.

Het derde middel klaagde over een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring door verwijzing naar het vijfde lid van artikel 10 Opiumwet Pro, terwijl het vierde lid van artikel 10 van Pro toepassing was. De Hoge Raad verbeterde de bewezenverklaring door de verwijzing naar het vijfde lid te laten vervallen, waardoor dit middel niet tot cassatie leidde. De conclusie was dat het cassatieberoep verworpen wordt.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr.12/02731
Mr. Machielse
Zitting 5 november 2013 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft verdachte op 23 mei 2012 voor: medeplegen van het misdrijf: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3. Het hof heeft bewezenverklaard dat
"hij op 4 januari 2009, te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het telkens opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken van een hoeveelheid XTC-pillen, in elk geval telkens een hoeveelheid van een middel bevattende MD(M)A, zijnde MD(M)A een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, met zijn, verdachte's mededaders in een loods aan de [a-straat] 2 te Hoogeveen een tabletteermachine heeft ondergebracht, welke machine bestemd en geschikt was voor de productie en/of bereiding van voornoemde XTC-pillen en/of die MD(M)A, waarvan de verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die machine bestemd was tot het plegen van dat/die feit(en)."
4.1. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat verdachte op 4 januari 2009 samen met anderen de tabletteermachine in de loods heeft ondergebracht waar deze nadien is aangetroffen. Integendeel, uit bewijsmiddel 7 volgt dat die machine door medeverdachte [betrokkene 2] in zijn eentje daar is weggezet en wel tussen 1 en 7 januari 2009. Het hof heeft bovendien ten onrechte de conclusie getrokken dat verdachte de tabletteermachine op 4 januari 2009 met anderen daar heeft ondergebracht omdat hij samen met anderen op 4 januari 2009 bezig is geweest met de reparatie van de tabletteermachine.
4.2. Bewijsmiddel 4 van de aanvulling op het verkort arrest houdt de verklaring in van [betrokkene 1], waarin deze, op de vraag van verbalisanten wat zij op 4 januari 2009 bij de loods deden, antwoordt dat [betrokkene 2] een machine wilde wegzetten en dat [betrokkene 1] bepaalde dat die machine in loods 2 moest. Die machine moest worden gemaakt. Dat wijst erop dat de tabletteermachine op zondag 4 januari 2009 is gebracht en dat verdachte daarbij was.
In de aanvulling op het verkort arrest is echter ook opgenomen bewijsmiddel 7, inhoudende de verklaring van [betrokkene 2], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. [betrokkene 2] zegt daarin dat hij aan [betrokkene 1] heeft gevraagd om een machine op te mogen slaan bij hem in de loods. [betrokkene 2] heeft de machine op een pallet in een hoek gezet. Hij heeft die machine in zijn eentje tussen 1 en 7 januari 2009 gebracht.
4.3. In zijn arrest heeft het hof nog het volgende overwogen:
"Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting van het hof op 9 mei 2012 bevestigd dat hij daar samen met de andere verdachten in die loods was op 4 januari 2009.
Uit het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat verdachte samen met verdachte [betrokkene 3] en verdachte [betrokkene 2] op 4 januari 2009 bezig is geweest met de reparatie van tabletteermachine in de loods aan de [a-straat] 2 te Hoogeveen. Daarmee hebben zij, zoals tenlastegelegd, deze tabletteermachine op 4 januari 2009 ondergebracht."
4.4. De bewijsconstructie bevat dus twee bewijsmiddelen die op het eerste gezicht niet met elkaar te verenigen zijn. Als immers [betrokkene 1] verklaart dat de tabletteermachine op 4 januari 2009 is gebracht door [betrokkene 2] in het gezelschap onder meer van verdachte lijkt dat niet te verenigen met de verklaring van [betrokkene 2] dat hij de tabletteermachine in zijn eentje heeft gebracht. Bewijsmiddel 5 houdt overigens wel in dat door een camera is geregistreerd dat de medeverdachte [betrokkene 2] met een pompwagen, een soort miniheftruck om pallets te verplaatsen, bezig is geweest, maar niet dat met die pompwagen een pallet met een tabletteermachine daarop is vervoerd. De camerabeelden houden kennelijk niets in over het plaatsen van de tabletteermachine in de loods. Wel blijkt uit bewijsmiddel 2 dat de tabletteermachine in de loods op een pallet staand is aangetroffen.
Het hof heeft uit de verklaring van [betrokkene 1] dus kunnen afleiden dat de tabletteermachine op 4 januari 2009 is afgeleverd en dat verdachte daarbij aanwezig was. Vervolgens is onder meer verdachte aan die tabletteermachine gaan sleutelen (bewijsmiddel 9). Uit deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte met anderen betrokken is geweest bij het plaatsen, ter reparatie, van de tabletteermachine in de loods waar deze nadien is aangetroffen. De uitlating van [betrokkene 2] dat hij de machine in zijn eentje tussen 1 en 7 januari 2009 heeft gebracht kan uit de bewijsconstructie worden weggelaten zonder dat dit de draagkracht van de bewijsconstructie ondermijnt.
De overweging van het hof dat met het sleutelen aan de tabletteermachine ook het onderbrengen daarvan op 4 januari 2009 is gegeven, heeft mijns inziens geen enkele verhelderende waarde en kan daarom ongelezen blijven.
Het middel faalt.
5.1. Het tweede middel heeft ook betrekking op de bewijsvoering. Het hof heeft onder meer overwogen dat de koffer waarmee verdachte op 4 januari 2009 heeft gelopen op 6 januari 2009 is aangetroffen bij de tabletteermachine. Maar de gebezigde bewijsmiddelen laten deze gevolgtrekking niet toe en het hof heeft verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven aan welk bewijsmiddel het hof deze gevolgtrekking heeft ontleend.
5.2. Ik parafraseer de bewijsmiddelen die voor de beoordeling van dit middel relevant zijn. In bewijsmiddel 2 relateert verbalisant [verbalisant 3] dat hij in de loods aan de [a-straat] 2 te Hoogeveen bij een tabletteermachine een metalen gereedschapskoffer met diverse gereedschappen heeft zien staan. In bewijsmiddel 4 verklaart [betrokkene 1] dat op 4 januari 2009 uit loods 1a een koffertje met dopsleutels, schroevendraaiers en dergelijke is gehaald, ter reparatie van de tabletteermachine die in loods 2 was weggezet. Deze verbalisant omschrijft in bewijsmiddel 5 wat hij op de camerabeelden heeft gezien. De camera heeft geregistreerd dat verdachte uit loods 1a komt en een koffer in de hand heeft. Uit de bewijsmiddelen 9 tot en met 11 is af te leiden dat verdachte aan de tabletteermachine heeft gesleuteld. Bewijsmiddel 12 is de verklaring van verdachte, inhoudende dat het mogelijk is dat hij is gezien met een koffer van [betrokkene 1], waarin gereedschap zat.
Het hof heeft uit de inhoud van deze bewijsmiddelen kunnen aannemen dat in de loods waar de tabletteermachine stond geen gereedschap beschikbaar was en dat daarom door verdachte vanuit de loods 1a een koffer met gereedschap is overgebracht naar loods 2. Deze koffer is dan vervolgens door verbalisant [verbalisant 3] in loods 2 gezien.
Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen de conclusie kunnen trekken dat verdachte de koffer met gereedschap, die bij de tabletteermachine is aangetroffen, van loods 1a naar loods 2 heeft gebracht.
Het middel faalt.
6.1. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte in de bewezenverklaring heeft verwezen naar lid 5 van artikel 10 van Pro de Opiumwet, omdat lid 5 betrekking heeft op het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A Opiumwet gegeven verbod. Artikel 2 onder Pro A Opiumwet heeft echter betrekking op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel als bedoeld in lijst I.
6.2. Het middel is gegrond, maar dat hoeft niet tot cassatie te leiden omdat de Hoge Raad de bewezenverklaring verbeterd kan lezen met weglating van de verwijzing naar het vijfde lid van artikel 10 Opiumwet Pro. Waar het in de bewezenverklaring, gezien de bewijsconstructie, natuurlijk om gaat is het voorbereiden van een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet. De verwijzing naar het vijfde lid is een kennelijke vergissing.
Door verbeterde lezing komt de grondslag aan dit middel te ontvallen.
7. De voorgestelde middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden