Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede en het derde middel
5.Beslissing
28 januari 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een opiumwetdelict waarbij verdachte samen met anderen een tabletteermachine onderbracht en gebruikte in een loods te Hoogeveen voor de productie van XTC-pillen met MDMA. Het hof stelde vast dat verdachte op 4 januari 2009 samen met medeverdachten de machine in de loods had en ermee bezig was.
De bewezenverklaring steunt op diverse bewijsmiddelen, waaronder processen-verbaal van bevindingen, technische rapportages, camerabeelden, getuigenverklaringen en verhoren. Getuigen zagen verdachte en anderen aan de machine werken en verdachte bevestigde zijn aanwezigheid in de loods.
Verdachte klaagde in cassatie over de ontoereikende motivering van de bewezenverklaring, met name dat niet bewezen zou zijn dat hij de machine op die datum onderbracht. De Hoge Raad oordeelt dat het hof op juiste gronden en begrijpelijk heeft geoordeeld dat verdachte samen met anderen de machine in de loods had en ermee bezig was.
De overige middelen worden niet nader gemotiveerd omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van het voorbereiden van een opiumwetdelict met een tabletteermachine wordt bevestigd.