Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping van een tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie strekkend verweer in verband met inbreuk op het recht van vrij verkeer tussen de raadsman en verdachte.
tweede middelbevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat van algemene bekendheid is dat de herinneringen van iemand aan stressvolle gebeurtenissen niet altijd even accuraat zijn.
derde middelbehelst de klacht dat het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de doorzoeking van de auto van de verdachte onrechtmatig is geweest.
vierde middelbehelst de klacht dat het Hof in strijd met het bepaalde in art. 359, tweede lid, Sv heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verklaringen van [betrokkene 1] voor het bewijs dienen te worden uitgesloten.
vijfde middelziet op de verwerping van het aangevoerde dat aan de enkelvoudige fotoconfrontatie geen waarde dient te worden toegekend.
zesde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
bij de Hoge Raad der Nederlanden