Conclusie
[verdachte]
1. de bewezenverklaring en strafoplegging van feit 1.
2. de partiële vrijspraak van feit 2, waaronder de elementen “een hoeveelheid brandstof” en “in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededaders”
en
hij op tijdstippen in de periode van 09 maart 2008 tot en met 07 april 2008 in Nederland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld, toebehorend aan [A] B.V., waarbij hij, verdachte, dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door gebruik te maken van een (ontvreemde) tankpas met bijbehorende pincode waartoe hij, verdachte niet gerechtigd , althans door middel van een valse sleutel.”
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage van het proces-verbaal genummerd 2008098050) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:
op pagina 36-37: Ik werd gisteravond (het hof begrijpt 7 april 2008) gebeld door een vriend van mij genaamd [betrokkene 1]. Ik had geld van hem geleend. Ik deelde [betrokkene 1] mede dat ik geen geld voor hem had. Ik had een tankpas van de Shell. Dat is een tankpas van mijn werk. Ik vroeg aan [betrokkene 1] of ik hem die 400 euro in de vorm van brandstof kon terugbetalen. Wij spraken af bij een tankstation in Amsterdam-Noord. Ik toetste bij de nachtautomaat de pincode in. Ik keek op de pomp en zag dat er voor ongeveer 432 euro aan benzine getankt was. Ik ben weggereden in de richting van de rotonde. Ik zag een politieauto. Ik heb de Shell tankpas uit de auto gegooid.
op pagina 40-41:
Ik heb de tankpas van [A]. Dat is een transportbedrijf in Zaandam, had schulden en wilde die afbetalen.
Ik heb van 9 juli 2007 tot 16 januari 2008 bij [A] in Zaandam gewerkt. Ik ben daar vrachtwagenchauffeur geweest. Ik had de tankpas vanaf de laatste werkdag. Ik heb het pasje in mijn portemonnee gehouden. De laatste dag was 16 januari 2008. In maart/april (het hof begrijpt: in het jaar 2008) heb ik het gebruikt om te tanken. De kleine bedragen waren voor mezelf. Ik heb ook het pasje uitgeleend om anderen mee te laten tanken. Ik leende de pas uit aan twee mensen. Privé heb ik telkens voor ongeveer 50 euro getankt. Af en toe geef ik de pas aan die mensen. Meestal hebben ze hem 2 a 3 dagen bij zich. Ik had het verborgen gehouden. Ik had gewoon moeten zeggen dat ik het pasje vanaf januari in mijn bezit had.
Ik wil dat [verdachte] ons schadelijk stelt. Er is hem geen toestemming gegeven de tankpas weg te nemen, het zich toe te eigenen en hiermee voor privedoeleinden te gaan tanken.”
eerste middelklaagt dat met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen dat geld is weggenomen.
“Ik meen dat er geen goede reden is om een pinbetaling wel als het bewegen tot afgifte van een goed te beschouwen en niet als het wegnemen van een goed, zoals het Hof in Arnhem oordeelde. Dat lijkt mij een redelijke uitleg van het begrip wegnemen van geld in het licht van het moderne betalingsverkeer. In de winkel wordt ook gevraagd: "hoe betaalt u, contant of pinnen" en als men pint verschijnt in het display van het pinapparaat de tekst: "u heeft betaald". Kortom een pinbetaling staat gelijk aan een contante betaling.
tweede middelklaagt dat het Hof in de bewezenverklaring van feit 2 ten onrechte geen keuze heeft gemaakt tussen beide in de tenlastelegging vermelde mogelijkheden: “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” en “althans alleen”.
derde middelklaagt dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de raadsvrouw voor het doen overleggen van nadere stukken, te weten een brief van de verzekering waaruit zou volgen dat de benadeelde partij niets heeft ontvangen, ten onrechte niet heeft vermeld welke maatstaf bij de afwijzing is aangelegd terwijl de motivering van de afwijzing niet zonder meer begrijpelijk is.
(…)
De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik heb een niet ondertekende brief van [betrokkene 2] ontvangen waarin hij zegt dat de B.V. niet schadeloos is gesteld door de verzekeringsmaatschappij.
De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:
Het hoger beroep richt zich tegen de gehele vordering. In het dossier is te lezen dat de benadeelde partij zelf heeft aangegeven te zijn verzekerd. In mijn optiek is de door de advocaat-generaal genoemde brief geen duidelijke bevestiging dat de benadeelde partij niets heeft ontvangen van de verzekering. Ik wil dus een brief zien van de verzekeringsmaatschappij.
(…)
De advocaat-generaal zegt dat de benadeelde partij niet verplicht is om de schade te claimen bij de verzekeringsmaatschappij. Dat is op zichzelf juist maar als een benadeelde partij een schadebedrag opgeeft moet dat in het algemeen worden onderbouwd. Een brief van de benadeelde partij zelf is geen onderbouwing. Als hij zegt dat hij niets heeft ontvangen, dan lijkt het erop dat er wel is geclaimd maar niet is uitgekeerd. Dan zou hem ervan moeten weerhouden om de brief van de verzekering als bijlage mee te sturen ter onderbouwing van de vordering. Het is een tamelijk hoog bedrag voor cliënt, hij leeft van een uitkering. Ik vraag om uitstel van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij, om alsnog een onderbouwing bij het dossier te voegen.”
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 5.442,09. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de aangifte blijkt dat verdachte was verzekerd en dat de vordering van de benadeelde partij nader moet worden onderbouwd met een brief van de verzekering met de mededeling dat er niets is uitgekeerd.
Het hof overweegt daartoe dat de vordering van de benadeelde partij is onderbouwd met facturen en dat de benadeelde partij enkel op grond van een onderdeel van de aangifte (welk onderdeel door het hof wordt aangemerkt als een kennelijke verschrijving) waaruit zou kunnen blijken dat de benadeelde partij verzekerd is, niet hoeft te bewijzen dat de schade bij een verzekering is geclaimd en de verzekering de schade niet heeft uitgekeerd.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
vierde middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de schade van de benadeelde partij het rechtstreekse gevolg is geweest van de verduistering van het tankpasje.
vijfde middelklaagt dat het hof zonder nadere motivering de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen voor een bedrag van € 5.442,09 terwijl uit de voor het bewijs gebruikte aangifte van de benadeelde partij blijkt dat de totale schade slechts € 1.875,22 is geweest.