Conclusie
Geen toestemming van bewoner16. Uit het dossier blijkt ook niet dat cliënt, bewoner van de woning op nummer [1], toestemming heeft gegeven voor het betreden van zijn woning, hetgeen vereist is op grond van art. 1 lid 4 Awbi Pro. Hierbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
18. Deze verklaring wordt echter niet ondersteund door de herinneringen van de overige verbalisanten die betrokken waren bij het binnentreden van de woning. Zowel verbalisant [verbalisant 2] als verbalisant [verbalisant 3] geven aan geen herinnering meer te hebben aan de omstandigheden rondom het binnentreden van de woning. Zij kunnen dus niet bevestigen dat cliënt hier toestemming voor heeft gegeven.
23. In dit kader benadruk ik bovendien dat het uiterst onaannemelijk is dat cliënt toestemming zou geven aan de politie om de woning binnen te treden, wetende dat er zich een hennepkwekerij in de woning bevond.
Doel van binnentreding
Het hof neemt in aanmerking dat de sluiting van de deur kennelijk – doordat de deurstijl gedeeltelijk was verbroken – zo gammel was dat deze zomaar, na een duw door verbalisant, naar binnen openging.
2. […]
3. […]
4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden.’
Collega’s zijn naar perceel [1] [lees: [1], PCV] hoog gegaan en zagen dat de deurstijl gedeeltelijk verbroken was. Collega’s zagen dat er drie onbekende personen in de woonkamer zaten waarvan een (1) manspersoon direct opsprong en naar de voordeur liep. Collega’s hebben zich gelegitimeerd en hun doel bekend gemaakt en zij kregen toestemming van de manspersoon (bewoner) om de woning te betreden. Terwijl twee collega’s de manspersoon te woord stond in de opening van de woonkamer trof een andere collega een hennepkwekerij aan in een andere kamer in de woning.’
Ik, verbalisant, legitimeerde mijzelf als zijnde politie. Ik zag dat NN1 inmiddels naar de voordeur was gelopen. Ik vroeg hem of wij binnen mochten komen. Ik hoorde dat NN1 hierop antwoordde; “Ja”. Ik en de genoemde collega’s hebben hierop de woning betreden. Ik zag dat er in de eerder genoemde kamer nog een man en een vrouw op de bank zaten, ik noem hen NN2 en NN3. Ik heb vervolgens mijn doel van binnentreden bekend gemaakt en gevraagd naar [betrokkene].’
Wij, verbalisanten, hebben ons luid en duidelijk mondeling kenbaar gemaakt als zijnde politieambtenaar en verzochten de verdachte de voordeur te openen. De voordeur werd geopend door een bewoner welke later als verdachte is aangehouden […]
Wij, verbalisanten hebben de woning binnengetreden doordat de bewoner ons mondeling toestemming had gegeven nadat hij zijn voordeur had geopend en wij ons doel kenbaar hadden gemaakt.’