Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Geding in cassatie
Overbrenging landbouwgrond naar bosbouwonderneming
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende en zijn broer exploiteerden een akkerbouwbedrijf en vormden landbouwgrond om tot blijvend bos, waarvoor zij subsidies ontvingen. De kern van het geschil was of een boekverlies ten laste van het fiscale resultaat kon worden gebracht vanwege de bestemmingswijziging van landbouwgrond in bos, en of bij waardering rekening mocht worden gehouden met de toegekende subsidies.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de waarde in het economisch verkeer van de grond inclusief de subsidies moet worden vastgesteld. De waardering van de grond als landbouwgrond was hoger dan de boekwaarde, waardoor geen sprake was van een verlies. Het Hof stelde dat bij staking van een deel van de onderneming de grond moet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer, waarbij ook de subsidies in aanmerking moeten worden genomen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat de wijziging van bestemming leidt tot staking van dat deel van de landbouwonderneming en inbreng in de bosbouwonderneming. De waarde van de grond moet worden bepaald naar de hoogste verkrijgbare prijs in de gegeven omstandigheden, waarbij ook mogelijke voortgezette agrarische exploitatie in aanmerking wordt genomen. De subsidies beïnvloeden de waarde positief, waardoor geen aftrekbaar boekverlies ontstaat. Het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; bij waardering van landbouwgrond omgezet in bos moet rekening worden gehouden met subsidies, waardoor geen aftrekbaar boekverlies ontstaat.