Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachthoudt in dat het hof heeft miskend dat de rechter zelfstandig behoort te toetsen of de gemeente misbruik van bevoegdheid maakt en in het bijzonder, per categorie bouwwerken, had behoren na te gaan of − en zo ja, voor welk gedeelte − legalisering van de bouw mogelijk was of is.
cassatiedagvaarding onder 2).
cassatiedagvaarding onder 3).
cassatiedagvaarding onder 4).
cassatiedagvaarding onder 5 en 6);
cassatiedagvaarding onder 7 en 8).
mogelijkheidtot legalisering bestond, faalt het op grond van hetgeen hiervoor is uiteengezet. De vraag of een concreet uitzicht op legalisatie van de bestaande toestand bestond en het gemeentebestuur om die reden had moeten afzien van een dwangsomsanctie, betreft de rechtmatigheid van de beschikking van 1 september 2006. Dit aspect had in het kader van een bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure aan de orde kunnen komen. De klachten falen.
tweede klachthoudt in dat het hof de taak en de positie van de bestuursrechter heeft miskend, omdat de bestuursrechter uitsluitend de last onder dwangsom beoordeelt. De beoordeling van de rechtmatigheid van de invordering van de dwangsommen hoort volgens eiser thuis bij de burgerlijke rechter: deze kan de inning toetsen als een beroep wordt gedaan op misbruik van bevoegdheid (
cassatiedagvaarding onder 9). Anders dan het hof heeft geoordeeld, staat de rechtmatigheid van de inning volgens het middel volledig ter beoordeling van de burgerlijke rechter, nu de last onder dwangsom niet is beoordeeld door een commissie bezwaarschriften of door de bestuursrechter (
cassatiedagvaarding onder 10 en 11). Volgens eiser had het hof het verzet van eiser gegrond moeten bevinden, omdat na aanpassingen van de gebouwen door eiser en na het alsnog verlenen van een bouwvergunning op het tijdstip waarop het dwangbevel werd uitgevaardigd niet, althans niet langer, sprake was van enige overtreding van de last (
cassatiedagvaarding onder 12).