Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de verdachte ontvankelijk heeft geacht in het door hem ingestelde hoger beroep, nu de verdachte het hoger beroep vóór de aanvang van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft ingetrokken. [2]
NJ1994/69 betoogd dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu de verdediging na aanvang van de zaak kenbaar heeft gemaakt het hoger beroep te willen intrekken, er geen onderzoek ten gronde is verricht en er ook geen ander strafvorderlijk belang is dat het onderzoek vordert. Ter onderbouwing van zijn primaire standpunt dat er geen strafvorderlijk belang is om de zaak inhoudelijk te behandelen heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld, de verdediging het beste kan inschatten of er belang is om de zaak te behandelen en de beginselen van een goede procesorde ertoe leiden dat het hoger beroep kan worden ingetrokken aangezien de belangen van de verdediging moeten worden beschermd tegen een willekeurige overheid. Ter onderbouwing van zijn subsidiaire standpunt dat de belangen van de verdachte om niet-ontvankelijk te worden verklaard zwaarder wegen dan het strafvorderlijke belang om de zaak inhoudelijk te behandelen heeft de raadsman aangevoerd dat het argument van de advocaat-generaal dat de medeverdachte in hoger beroep een zwaardere straf heeft gekregen dan in eerste aanleg (een gevangenisstraf van 4 jaren in plaats van een gevangenisstraf van 36 maanden en 2 weken) geen hout snijdt omdat de op te leggen straf afhankelijk is van allerlei factoren.
NJ1994/69 m.nt. Van Veen betoogd dat - in afwijking van het wettelijke systeem - moet worden aangenomen dat de verdachte ook nadat de zaak is uitgeroepen bevoegd is het hoger beroep in te trekken, mits de
inhoudelijkebehandeling van de zaak nog niet is aangevangen. In het midden kan blijven of dit arrest steun biedt aan het bestaan van een zo algemene regel voor zaken waarop de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470) nog niet van toepassing is, nu moet worden vastgesteld dat na invoering van deze wet (voor zover hier van belang) op 1 maart 2007 aan een voorziening zoals in het speciale geval van dat arrest is getroffen, geen behoefte meer bestaat. Thans biedt art. 416 Sv Pro de appelrechter immers de mogelijkheid om in geval een wens tot intrekking van het hoger beroep wordt geuit na aanvang van de behandeling in hoger beroep, de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te spreken. Het stond het hof echter vrij om in het onderhavige geval geen toepassing te geven aan zijn bevoegdheid het door de verdachte ingestelde hoger beroep op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk te verklaren. [12]
in geval daarover in cassatie wordt geklaagdin beginsel tot nietigheid van het desbetreffende onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de mede naar aanleiding daarvan gewezen einduitspraak. [16] Dit verzuim is voor de Hoge Raad echter geen reden om ambtshalve te casseren. [17] Nu in de schriftuur niet wordt geklaagd over voornoemd verzuim, behoeft bedoelde onduidelijkheid dan ook niet tot cassatie te leiden.