Conclusie
Inleiding
’s-Hertogenbosch):
In februari/maart 2006 ben ik in een financiële situatie terecht gekomen dat ik dringend € 200.000,= nodig had. Een tijd daarvoor had ik van de gebroeders [A] een woning en autobedrijf (pand) gekocht en had ik ter zake de financiering van de verkopers € 250.000,= renteloos geleend voor de duur van twee jaar. Die termijn liep af in februari/maart 2006. De verkopers wilden de lening rentedragend met een hoofdsom van € 50.000,= verlengen over eind 2006, maar die € 200.000,= moesten betaald worden. Ik ben onder meer bij mijn oom/de erflater geweest en hij besloot direct om mij te helpen. Hij heeft direct actie ondernomen om het geld op mijn rekening te krijgen. Hij vroeg aan mij wat het gemakkelijkst voor mij was, omdat ik hem vroeg welke contraprestatie er tegenover moest staan. Hij wilde een maandelijkse tegemoetkoming die qua hoogte zoveel mogelijk overeenkwam met hetgeen hij over dat bedrag bij de bank kreeg. Hij vroeg mij wat ik kon missen en ik zei € 500,= per maand. Verder heeft hij mij gezegd dat als hij niet meer zou leven, dat ik het dan kon houden en tot die tijd zou ik die € 500,= per maand betalen. Hij heeft mij geweldig geholpen en hij vond het perfect en prachtig dat hij mij kon helpen. Ik vroeg hem of we het niet op papier zouden zetten, maar hij zei: ik ken je toch, ik weet je te vinden. Hij had er alle vertrouwen in dat ik mijn afspraken zou nakomen.’
dat de erflater hem destijds heeft gezegd dat als hij niet meer zou leven, dat ik het dan kon houden en tot die tijd zou ik die € 500,-- per maand betalen. (..) De zojuist gepresenteerde feiten die tot die betaling van EUR 200.000,-- hebben geleid, heeft een element van lening en van schenking.”