ECLI:NL:PHR:2013:1244

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2013
Publicatiedatum
18 november 2013
Zaaknummer
13/00489
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 4 BWArt. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over verbod reformatio in peius bij partneralimentatie

De zaak betreft een geschil over de vaststelling van partneralimentatie na ontbinding van het huwelijk van partijen. De man had verzocht om verlaging van de partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf de datum van echtscheiding. De rechtbank had de alimentatie verlaagd, maar het hof vernietigde deze wijziging deels en handhaafde het oorspronkelijke hogere bedrag voor een bepaalde periode.

De man stelde in cassatie dat het hof het verbod op reformatio in peius had geschonden door de alimentatie voor de periode van 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 te verhogen ten opzichte van de wijzigingsbeschikking van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd had overschreden door de alimentatie in die periode te handhaven op het hogere bedrag zonder dat de vrouw dit in hoger beroep had gevorderd.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bepaalde zelf dat de alimentatie voor die periode op het lagere bedrag van € 1.410,- per maand blijft vastgesteld. De zaak illustreert de toepassing van het verbod op reformatio in peius in het civiele procesrecht en bevestigt dat een appelrechter de positie van een appellant niet mag verslechteren.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en stelt de partneralimentatie voor de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 vast op € 1.410,- per maand.

Conclusie

13/00489
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 15 november 2013
CONCLUSIE inzake:
[de man],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
tegen:
[de vrouw],
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Deze alimentatiezaak betreft in cassatie onder meer de vraag of de beschikking van het hof in strijd is met het verbod op reformatio in peius.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten [1] :
a) [de man] (hierna: de man) en [de vrouw] (hierna: de vrouw) zijn op 19 augustus 2000 gehuwd. Hun huwelijk is op 5 februari 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 oktober 2008 in de registers van de burgerlijke stand.
b) Bij beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 7 april 2010 is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 2.300,- per maand met ingang van 5 februari 2009. Bij beschikking van 9 november 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
1.2
Bij inleidend verzoekschrift tot wijziging partneralimentatie van 17 februari 2011 heeft de man verzocht (met wijziging van de beschikking van 7 april 2010 [2] ) de partneralimentatie met ingang van 5 februari 2009 op nihil te stellen.
1.3
Bij beschikking van 14 december 2011 heeft de Rechtbank Amsterdam geoordeeld dat bij de vaststelling van de partneralimentatie van onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:401 lid 4 BW Pro). Zij heeft de beschikking van 7 april 2010 gewijzigd en de partneralimentatie bepaald op € 1.410,- met ingang van 5 februari 2009. [3]
1.4
De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Amsterdam en heeft verzocht – onder meer –, met vernietiging van de beschikking van 14 december 2011 in zoverre, de partneralimentatie in de periode van 5 februari 2009 tot 1 januari 2011 vast te stellen op € 1.050,- per maand. [4] Daartoe is in g
rief Iaangevoerd dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de man tot oktober 2010 gedragen kosten van de echtelijke woning, welke een alimentatie van € 1.050,- toelaten.
Grief IIstrekt tot betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de huidige woonlasten van de man.
De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
1.5
In zijn beschikking van 30 oktober 2012 heeft het hof grief I gedeeltelijk gehonoreerd en in verband met de door de man gedragen kosten van de voormalige echtelijke woning de partneralimentatie in de periode vanaf 5 februari 2009 tot en met de overdracht op 8 oktober 2010 bepaald op € 1.050,- per maand (rov. 4.2). Grief II werd verworpen (rov. 4.3). In rov. 4.6 oordeelde het hof:
“4.6 Over de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 heeft de man geen lasten met betrekking tot de echtelijke woning te betalen, zodat het hof het verzoek van de man tot wijziging van de (…) partneralimentatie in die periode zal afwijzen.”
Het dictum luidt, voor zover in cassatie van belang:
“Het hof:
vernietigt de beschikking van 14 december 2011 van de rechtbank Amsterdam en stelt de verschuldigde (…) partneralimentatie in de hierna genoemde perioden vast op de daarachter vermelde bedragen, (…):
(…)
b. in de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011:
wijst af de inleidende verzoeken van de man tot wijziging van de beschikkingen van de rechtbank van (…) 7 april 2010 (partneralimentatie).”
1.6
De man heeft het hof verzocht deze beschikking te verbeteren op grond van art. 31 Rv Pro, aangezien de beschikking van 14 december 2011 voor de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 zonder (afdoende) motivering is vernietigd en er mogelijk sprake is van een kennelijke verschrijving. Het hof had mogelijk willen beslissen dat vermelde beschikking is vernietigd met uitzondering van de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011. De vrouw heeft op het verbeteringsverzoek van de man niet gereageerd. Het hof heeft het verzoek tot verbetering bij brief van 19 juni 2013 afgewezen op de grond dat dit verzoek niet ziet op een kennelijke fout in de beschikking die zich leent voor eenvoudig herstel. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat voor partijen en derden niet direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
1.7
De man heeft – tijdig [5] – beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

2.Beoordeling van het cassatieberoep

2.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen het dictum zoals hiervoor onder 1.5 is geciteerd en voorts tegen rov. 4.6 voor zover daarin de conclusie ligt besloten dat voor wat de partneralimentatie betreft over de periode vanaf 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011, de beschikking van 7 april 2010 – waarin deze op € 2.300,- per maand is bepaald – gehandhaafd blijft. De man klaagt dat het hof het rechtsdebat in appel (de negatieve zijde van het grievenstelsel) heeft overschreden en in strijd heeft gehandeld met het verbod op reformatio in peius.
2.2
De klacht is terecht voorgesteld. In haar wijzigingsbeschikking van 14 december 2011 heeft de rechtbank de beschikking van 7 april 2010 gewijzigd en de partneralimentatie bepaald op € 1.410,- per maand met ingang van 5 februari 2009. Daarop heeft de man in het petitum van zijn hoger beroepschrift onder meer verzocht, met vernietiging van de wijzigingsbeschikking in zoverre, de partneralimentatie in de periode van 5 februari 2009 tot 1 januari 2011 te bepalen op € 1.050,- per maand. De vrouw heeft in hoger beroep verweer gevoerd en geen incidenteel appel ingesteld. Zij heeft verzocht de bestreden beschikking (de beschikking van 14 december 2011 waarin de partneralimentatie voor deze periode is bepaald op € 1.410,- per maand) te bekrachtigen.
2.3
Het hof heeft echter de wijzigingsbeschikking van 14 december 2011, waarin de beschikking van 7 april 2010 was gewijzigd in dier voege dat de partneralimentatie was bepaald op € 1410,- per maand vanaf 5 februari 2009, vernietigd en in de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 het
inleidendeverzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 7 april 2010 afgewezen. Daaruit laat zich niet anders afleiden dan dat in de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 de bij beschikking van 7 april 2010 vastgestelde alimentatie van € 2.300,- per maand is blijven gelden.
2.4
Daarmee heeft het hof miskend dat de grenzen van de rechtsstrijd wat betreft de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 werden bepaald door enerzijds het bij de wijzigingsbeschikking vastgestelde bedrag ad € 1.410,- en anderzijds het in appel verzochte bedrag ad € 1.050,-. Voorts is de beschikking in strijd met het verbod op reformatio in peius. [6] Als gevolg van het door de man ingestelde hoger beroep mocht zijn aan de wijzigingsbeschikking ontleende positie immers niet verslechteren.
2.5
Nu voor wat betreft de periode van 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011 geen van de relevante grieven is geslaagd, was er geen reden voor het hof op grond van de devolutieve werking van het appel eventuele in eerste aanleg afgewezen of niet behandelde verweren van de vrouw ter zake te behandelen. [7] Uit de motivering van het hof blijkt ook niet dat het hof verweren van de vrouw uit de eerste aanleg heeft behandeld.
2.6
Het hof mocht derhalve geen beslissing nemen die zou leiden tot verhoging van de op een maandbedrag van € 1.410,- vastgestelde alimentatie. Er lijkt sprake te zijn van een vergissing. Nu het hof het verzoek tot verbetering van de beschikking op grond van art. 31 Rv Pro bij brief van 19 juni 2013 heeft afgewezen, dient het cassatieberoep te slagen.
2.7
Uw Raad zou na vernietiging van de bestreden beschikking de zaak zelf kunnen afdoen door te bepalen dat het dictum onder b. aldus dient te worden gelezen:
“in de periode 9 oktober 2010 tot 1 januari 2011:
bepaalt met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 7 april 2010 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie op € 1.410,- per maand.”

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Voor zover in cassatie van belang. Ontleend aan rov. 2.1 en 2.2 van de beschikking van 30 oktober 2012 van het Hof Amsterdam.
2.Zie rov. 3.1 van de beschikking van het hof van 30 oktober 2012.
3.Zie rov. 3.1 van de beschikking van het hof van 30 oktober 2012.
4.Zie rov. 3.2 van de beschikking van het hof van 30 oktober 2012.
5.Het cassatieverzoekschrift is op 29 januari 2013 bij de Hoge Raad ingediend.
6.Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/123; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 238; Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nrs. 85-87. Zie bijvoorbeeld HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1674, NJ 2010/352, rov. 4.5.
7.Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/132.