Conclusie
“poging tot moord”en 3.
“opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen.
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaarde poging tot moord (feit 1). In het bijzonder klaagt het middel dat het hof de beslissing tot het afzien van het oproepen van de niet ter terechtzitting verschenen getuige [getuige 1] ontoereikend heeft gemotiveerd en dat het hof ten onrechte de verklaring van de getuige [getuige 1] tot het bewijs heeft gebezigd, nu die getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd. Voorts klaagt het middel dat de overige door het hof gebezigde verklaringen telkens te herleiden tot een en dezelfde bron, zodat de bewijsconstructie niet voldoet aan het vereiste bewijsminimum als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
19.
LJNBX5539 [1] ).
“En toen is dat met [slachtoffer] gebeurd, snap je?”.Ik vermag dan ook niet in te zien dat de verklaring van [getuige 1], zoals de steller van het middel kennelijk meent, een verklaring is die bepalend is voor de uitkomst van de zaak, in de zin van dat zij onmisbaar is voor de bewezenverklaring. Los daarvan is het zo dat de verklaring van [getuige 1] in voldoende mate steun vindt in de verklaring van [slachtoffer] (bewijsmiddel 9), zodat het hof mijn inziens zonder inbreuk te maken op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en diens ondervragingsrecht in de zin van art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d EVRM voor het bewijs gebruik kon maken van de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1].
tweede middelklaagt dat het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging mede heeft opgelegd voor een feit (feit 3) waarvoor dit niet mogelijk is.
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren.
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.”
derde middelklaagt over de schending van de in art. 6 EVRM Pro bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase.