Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
29 oktober 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de strafoplegging, met vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was. Het derde middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond. Gezien de voorlopige hechtenis van de verdachte en het feit dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, werd de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor de duur van de straf en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren onder voorzitterschap van H.A.G. Splinter-van Kan.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.