ECLI:NL:PHR:2012:BZ3791
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling strafoplegging en bewijsuitsluiting bij overtreding verblijfsverbod vreemdeling
Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens het als vreemdeling in Nederland verblijven terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard. De verdediging stelde dat de aanhouding onrechtmatig was wegens ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, waardoor bewijsuitsluiting op grond van art. 359a Sv zou moeten volgen. De Hoge Raad oordeelt dat het middel faalt omdat niet duidelijk is welk bewijs door de onrechtmatige aanhouding is verkregen en dat het hof het bewijs niet heeft gebruikt.
Daarnaast klaagt de verdediging dat de strafoplegging in strijd is met de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, die sinds 24 december 2010 geldt. De Hoge Raad stelt dat de richtlijn pas na de implementatiedatum rechtstreeks toepasbaar is en dat de bestreden uitspraak van september 2010 nog vóór die datum is gedaan. De Hoge Raad bevestigt dat strafoplegging vanaf de implementatiedatum in overeenstemming met de richtlijn moet plaatsvinden.
De Hoge Raad wijst verder op het ontbreken van ruimte voor een cassatieonderzoek naar feiten die nodig zijn voor een beroep op de richtlijn en benadrukt dat de richtlijn zich richt op strafopleggende instanties en het openbaar ministerie, niet op de cassatierechter. Tot slot constateert de Hoge Raad overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, wat aanleiding kan geven tot strafvermindering. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling tot vijf maanden gevangenisstraf blijft in stand.