ECLI:NL:PHR:2012:BY3977
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen uitspraak administratieve rechter
Eiser heeft bij de minister van Buitenlandse Zaken een verzoek ingediend voor sociale voorzieningen op grond van het dienstverband van zijn grootvader bij het voormalig KNIL. Na het uitblijven van een beslissing maakte eiser bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank, dat werd behandeld door de rechtbank te Amsterdam (sector bestuursrecht). Deze rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het geschil reeds eerder was voorgelegd en eiser geen nieuwe feiten had aangedragen.
Eiser stelde daarna beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam. De Hoge Raad oordeelt dat hoewel art. 78 lid 1 RO Pro bepaalt dat de Hoge Raad kennis neemt van cassatieberoepen tegen vonnissen van rechtbanken, lid 2 van dat artikel een uitzondering maakt voor uitspraken van rechtbanken als administratieve rechter. Er is geen wet die bepaalt dat de Hoge Raad kennis kan nemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechtelijke uitspraken van de rechtbank.
De Hoge Raad concludeert dat hij formeel bevoegd is om een beslissing te geven, maar materieel niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank als administratieve rechter. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan materiële bevoegdheid van de Hoge Raad.