ECLI:NL:PHR:2012:BY1884
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip 'in de macht van de wettelijke vertegenwoordiger' bij onverschuldigde betaling aan minderjarige
In deze zaak vordert de Gemeente Leiden teruggave van een bedrag van €42.500,- dat onverschuldigd aan een minderjarige, [verweerster], is betaald. Het bedrag werd op haar bankrekening gestort, maar door haar vader opgenomen en vergokt. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit en wees de vordering af, stellende dat de minderjarige niet verplicht was tot teruggave omdat het bedrag niet ten voordele van haar was gestrekt en niet onder beheer van haar wettelijk vertegenwoordiger was gekomen.
De kern van het cassatieberoep betreft de uitleg van het begrip 'in de macht van de wettelijke vertegenwoordiger' zoals bedoeld in art. 6:209 BW Pro. De Hoge Raad stelt dat dit begrip moet worden uitgelegd als het verkrijgen van feitelijke macht door de wettelijk vertegenwoordiger over het onverschuldigd betaalde, ongeacht of deze het bedrag beheert ten behoeve van de onbekwame of het voor zichzelf besteedt.
De Hoge Raad overweegt dat deze uitleg aansluit bij de parlementaire geschiedenis, het Benelux-ontwerp en literatuur. De bescherming van de handelingsonbekwame strekt tot bescherming tegen eigen lichtzinnigheid, niet tegen wanbeheer door de wettelijk vertegenwoordiger. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nadere beoordeling van de feitelijke macht en het tijdstip daarvan.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst terug voor nadere beoordeling van de feitelijke macht van de wettelijk vertegenwoordiger over het onverschuldigd betaalde bedrag.