ECLI:NL:PHR:2012:BX6925

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04890
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens kennelijke misslag in strafoplegging medeplegen zware mishandeling

Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling en poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 226 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur.

De verdediging stelde cassatie in tegen het onvoorwaardelijke deel van de straf, stellende dat dit niet gelijk was aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis had doorgebracht. Uit de stukken bleek dat verdachte 30 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis zat.

De Hoge Raad constateerde een kennelijke misslag in de strafoplegging, omdat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat het onvoorwaardelijke deel gelijk was aan de doorgebrachte hechtenis. De Hoge Raad herstelt dit gebrek door de gevangenisstraf te bepalen op 210 dagen, zodat verdachte niet in zijn rechten wordt benadeeld.

Het middel slaagt en het arrest wordt vernietigd voor zover het de strafhoogte betreft. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: De gevangenisstraf is vastgesteld op 210 dagen, waarbij het hof-arrest is vernietigd wegens een kennelijke misslag.

Conclusie

Nr. 11/04890
Mr. Vellinga
Zitting: 28 augustus 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair "Medeplegen van zware mishandeling" en 3 primair "Poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 226 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. N. Brands, advocaat te Goor, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf, anders dan het Hof overweegt, niet gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
4. In aanmerking genomen dat uit de aan de Hoge Raad op voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken volgt dat de verdachte in de onderhavige zaak op 21 januari 2009 in verzekering is gesteld, en de voorlopige hechtenis van de verdachte is doorgelopen tot het moment van schorsing van het bevel gevangenhouding op 20 februari 2009 - hetgeen een periode van in totaal 30 dagen behelst - en daaruit niet blijkt dat de schorsing nadien is opgeheven, is 's Hofs in de strafmotivering opgenomen overweging dat het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf - te weten 226-180 = 46 dagen - gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onbegrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.
5. Hoewel niet duidelijk is of het Hof een kortere vrijheidsstraf of een langer voorwaardelijk gedeelte van de vrijheidsstraf voor ogen had, acht ik het uit overwegingen van doelmatigheid aangewezen dat de Hoge Raad dit gebrek herstelt door de duur van de gevangenisstraf te bepalen op 210 dagen omdat de verdachte zo in elk geval niet in zijn rechtens te respecteren belangen wordt benadeeld.
6. Het middel slaagt.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf en tot bepaling van de vrijheidsstraf op 210 dagen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG