ECLI:NL:PHR:2012:BX4269
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik van verklaring Raad voor de Kinderbescherming als bewijs in strafzaak
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. Een belangrijk bewijsstuk was een verklaring van een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming, die ter terechtzitting was afgelegd. De verdachte stelde cassatie in tegen het gebruik van deze verklaring als bewijs, stellende dat dit in strijd was met het verschoningsrecht en het recht op een eerlijk proces.
De Hoge Raad overwoog dat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, dat op grond van art. 494 Sv Pro is opgesteld, in beginsel niet als bewijs mag worden gebruikt. Dit is vergelijkbaar met eerdere jurisprudentie over reclasseringsrapporten. Echter, de verklaring die de raadsonderzoeker als getuige ter zitting aflegt, kan wel als bewijs dienen, mits de raadsonderzoeker zich niet op het verschoningsrecht beroept.
De Hoge Raad benadrukte dat het verschoningsrecht van de raadsonderzoeker beperkt is en dat het belang van objectieve en volledige voorlichting zwaar weegt. De raadsonderzoeker hoeft zijn woorden niet krampachtig te wegen, maar de verdachte moet erop kunnen vertrouwen dat vertrouwelijke informatie niet zomaar als bewijs wordt gebruikt. In deze zaak had de raadsonderzoeker geen beroep gedaan op het verschoningsrecht, waardoor haar verklaring terecht als bewijs werd gebruikt.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest omdat het hof het rapport omzeilde door de verklaring als getuige te gebruiken, maar oordeelde dat het gebruik van de verklaring zelf niet onrechtmatig was. De zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De verklaring van de raadsonderzoekster als getuige mag als bewijs worden gebruikt, maar het rapport zelf niet; het arrest van het hof wordt vernietigd.