ECLI:NL:PHR:2012:BW7954
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht
In deze zaak stond de toepassing van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht centraal, waarin de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geregeld. De Hoge Raad oordeelde dat het niet vereist is dat uit wettige bewijsmiddelen exact blijkt welke andere strafbare feiten tot het voordeel hebben geleid, zolang aannemelijk is dat dergelijke feiten hebben plaatsgevonden en voordeel hebben opgeleverd.
Het hof had het wederrechtelijk voordeel geschat op €66.046,64, gebaseerd op verklaringen van de betrokkene en een strafrechtelijk financieel onderzoek. De verdediging voerde onder meer aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom andere strafbare feiten aannemelijk waren en dat het bewijs niet toereikend was. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat één wettig bewijsmiddel kan volstaan voor de schatting van het voordeel.
Daarnaast werd de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure besproken. Hoewel er sprake was van een forse overschrijding, achtte de Hoge Raad een vermindering van het ontnemingsbedrag met €5.000,- redelijk en in lijn met eerdere jurisprudentie. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsvordering van €61.046,64 op grond van artikel 36e lid 3 Sr en wijst het cassatieberoep af.