ECLI:NL:PHR:2012:BW7355
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake gezagskwestie minderjarige met gewone verblijfplaats in Turkije
Deze zaak betreft de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot medegezag over een minderjarige die haar gewone verblijfplaats sinds 2009 in Turkije heeft. De vader, die de Nederlandse nationaliteit bezit, verzocht de rechter hem mede of eenhoofdig gezag te verlenen, omdat dit volgens hem noodzakelijk was voor het treffen van een omgangsregeling in Turkije.
De rechtbank en het hof verklaarden zich onbevoegd, stellende dat het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (HKbV 1961) primair de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd stelt en dat uitzonderingen op grond van art. 4 HKbV Pro 1961 slechts met terughoudendheid worden toegepast. De Turkse rechter is beter toegerust om de belangen van het kind te beoordelen, mede omdat de leefomstandigheden in Turkije beter kunnen worden onderzocht.
De vader kwam in cassatie tegen dit oordeel. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het belang van het kind zwaarder weegt dan de onmogelijkheid volgens Turks recht om de vader medegezag te verlenen. Ook de kennisgevingsplicht van art. 4 HKbV Pro 1961 was hier niet van toepassing omdat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht aannam. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft op grond van art. 4 HKbV 1961 voor het verzoek tot medegezag over een minderjarige met gewone verblijfplaats in Turkije.