ECLI:NL:PHR:2012:BW3355
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over doorgeschoven eerste pachtersvoordeel bij verkoop en vervanging van landbouwgrond
De zaak betreft de fiscale behandeling van een doorgeschoven eerste pachtersvoordeel in het kader van bedrijfsopvolging binnen de familie. Vader en oom hadden een eerste pachtersvoordeel gerealiseerd door aankoop van verpachte landbouwgrond onder de waarde in vrij opleverbare staat. Dit voordeel werd op grond van een besluit van de Staatssecretaris van Financiën doorgeschoven naar de belanghebbenden, een man en vrouw die de onderneming voortzetten.
In 2002 verkochten de belanghebbenden de grond aan de Provincie en kochten zij vervangende grond. De Inspecteur rekende het doorgeschoven pachtersvoordeel in dat jaar tot het belastbaar inkomen. Rechtbank en Hof oordeelden dat het pachtersvoordeel geen activum is en dat de voorwaarden van het doorschuifbesluit bindend zijn, waardoor het voordeel bij vervreemding moet worden vrijgevallen. Beroepen op de ruilgedachte, de herinvesteringsreserve en het gelijkheidsbeginsel werden verworpen.
De Advocaat-Generaal concludeert dat het pachtersvoordeel bij verkoop van de grond belast vrijvalt en niet verder kan worden doorgeschoven, ook niet indien vervangende grond wordt gekocht. De ruilarresten en herinvesteringsreserve zijn niet van toepassing op passiva zoals het pachtersvoordeel. Het gelijkheidsbeginsel biedt geen grond voor een andere behandeling dan bij het tweede pachtersvoordeel. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het doorgeschoven eerste pachtersvoordeel valt bij verkoop van landbouwgrond belast vrij.