ECLI:NL:PHR:2011:BT7492
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onredelijkheid vergoeding Vut-lasten na gedeeltelijke taakvermindering bij OAC
De Stichting Pensioenfonds ABP en Stichting Vut-fonds Overheidspersoneel vorderden vergoeding van OAC wegens achterblijvende Vut-lasten na het vertrek van zeven werknemers naar DICT B.V. OAC betwistte dat sprake was van een situatie die gelijk is aan het ophouden te bestaan, zoals bedoeld in art. 5 Regeling Pro Wkvo.
De rechtbank stelde het standpunt van het Vut-fonds redelijk, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat het Vut-fonds onvoldoende feitelijke onderbouwing had geleverd om de situatie gelijk te stellen aan het ophouden te bestaan. Het hof vond dat de vermindering van taken en arbeidsvolume niet automatisch leidt tot toepassing van art. 5 Regeling Pro Wkvo.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de beoordelingsvrijheid van het bestuur van het Vut-fonds slechts marginaal toetst, maar dat het hof terecht oordeelde dat het Vut-fonds niet aannemelijk had gemaakt dat de situatie niet wezenlijk verschilde van het ophouden te bestaan. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het Vut-fonds heeft onvoldoende onderbouwing geleverd voor de gevorderde vergoeding.