ECLI:NL:PHR:2011:BT1530
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van het EG-Verdrag op dividendbelasting tussen Nederland en de Nederlandse Antillen
De zaak betreft de inhouding van Nederlandse dividendbelasting op dividenduitkeringen door Nederlandse vennootschappen aan hun moedermaatschappijen gevestigd op de Nederlandse Antillen, een land en gebied overzee (LGO).
Belanghebbenden stelden dat de inhouding in strijd was met art. 56 EG Pro-Verdrag (thans art. 63 VWEU Pro) inzake het vrije kapitaalverkeer en het LGO-Besluit van de Raad van de EU. Zij betoogden dat de Nederlandse Antillen als derde land moesten worden aangemerkt en dat de inhouding van dividendbelasting onrechtmatig was.
De Rechtbank en het Gerechtshof oordeelden dat art. 56 EG Pro-Verdrag niet van toepassing is omdat de verhouding tussen Nederland en de Nederlandse Antillen een interne situatie betreft binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het LGO-Besluit is niet van toepassing op deze interne verhouding. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat zelfs als de Nederlandse Antillen als derde land zouden gelden, het kapitaalverkeer verdrongen wordt door het vestigingsaspect bij meerderheidsdeelnemingen.
Daarnaast is overwogen dat de inhouding van dividendbelasting valt onder de standstill-bepaling van art. 57(1) EG-Verdrag, omdat de belastingheffing reeds bestond op 31 december 1993. De belanghebbende cassatieberoepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de inhouding van dividendbelasting op dividenduitkeringen aan moedermaatschappijen op de Nederlandse Antillen.