ECLI:NL:PHR:2011:BR5060
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet wegens weigering detachering
De zaak betreft de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet van een werknemer die hardnekkig weigerde te voldoen aan een redelijke opdracht tot detachering. De werknemer was sinds 1987 in dienst en had in 2002 een nieuw arbeidscontract met een detacheringclausule ondertekend. In 2006 werd hij ontslagen wegens weigering werkzaamheden als werkvoorbereider bij GTI Amsterdam te verrichten.
De werknemer voerde bezwaren aan tegen de detachering, waaronder persoonlijke omstandigheden en inhoudelijke bezwaren tegen de functie. Het hof oordeelde dat de detachering tot de bedongen arbeid behoorde en dat de opdracht redelijk was. De hardnekkige weigering vormde een dringende reden voor ontslag. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten over de motivering en de beoordeling van de omstandigheden.
De Hoge Raad benadrukte dat bij de beoordeling van de redelijkheid van een opdracht het belang van de werkgever en de steekhoudende bezwaren van de werknemer tegen elkaar moeten worden afgewogen. Ook werd bevestigd dat eerdere verwijten, zoals fraude, niet meewegen als deze niet aannemelijk zijn geworden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het ontslag op staande voet rechtsgeldig werd verklaard.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens weigering van een redelijke detacheringopdracht is rechtsgeldig verklaard.