ECLI:NL:PHR:2011:BQ9889
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing terugvordering fraudeschade wegens niet-bestaande meldingsplicht
Abrona, een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking, had een fraude/geldtransportverzekering bij Nationale Borg. Abrona ontdekte twee fraudegevallen door medewerkers die geld van zorgvragers achterhielden. De eerste fraude werd pas in 2007 gemeld, de tweede in 2005. Nationale Borg betaalde een schadevergoeding voor de tweede fraude, maar eiste later terugbetaling van een deel van dat bedrag omdat Abrona de eerste fraude niet tijdig had gemeld.
De rechtbank en het hof wezen de vordering van Nationale Borg af. Het hof oordeelde dat Abrona geen meldingsplicht had op grond van de polis of artikel 7:941 BW Pro en dat er geen sprake was van roekeloosheid of eigen schuld. Nationale Borg stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd en dat het arbitraal vonnis onrechtmatig was meegewogen, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten.
De Hoge Raad bevestigde dat de vraag of Abrona tekortgeschoten is, moest worden beoordeeld aan de hand van de specifieke meldingsplicht en niet breder. Ook was het hof bevoegd om het arbitraal vonnis als recht toe te passen mee te wegen. De klachten over de beoordeling van eigen schuld en bewijsrecht faalden eveneens. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Abrona geen meldingsplicht had en dat Nationale Borg de schadevergoeding niet kon terugvorderen.