ECLI:NL:HR:2011:BQ9889

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/01422
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:941 BWArt. 6:248 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt meldingsplicht verzekeringnemer bij fraude geldtransportverzekering

In deze zaak stond de uitvoering van een geldtransportverzekering en de meldingsplicht van de verzekeringnemer centraal. Nationale Borg, eiseres tot cassatie, had beroep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam dat haar aansprakelijkheid bevestigde.

De feiten betreffen een geschil tussen Nationale Borg en Stichting Abrona over de uitvoering van de verzekering en de vraag of de meldingsplicht door de verzekeringnemer was nagekomen. De rechtbanken hadden eerder geoordeeld in het voordeel van Abrona.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof, en oordeelt dat de klachten van Nationale Borg niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad benadrukt dat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

Het beroep wordt verworpen en Nationale Borg wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak bevestigt de toepassing van de meldingsplicht zoals neergelegd in de artikelen 7:941 en 6:248 BW.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Nationale Borg wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

23 september 2011
Eerste Kamer
10/01422
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
N.V. NATIONALE BORG-MAATSCHAPPIJ,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.C. Visser,
t e g e n
STICHTING ABRONA,
gevestigd te Huis ter Heide, gemeente Zeist,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Nationale Borg en Abrona.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 237790/HA ZA 07-1884 van de rechtbank Utrecht van 5 december 2007 en 25 juni 2008;
b. het arrest in de zaak 200.014.453 van het gerechtshof te Amsterdam van 29 december 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Nationale Borg beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Abrona heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Nationale Borg in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Abrona begroot op € 1.956,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 23 september 2011.