ECLI:NL:PHR:2011:BQ3870
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigverklaring ontslag op staande voet en matiging loonvordering wegens arbeidsongeschiktheid
In deze zaak stond centraal de vraag of het ontslag op staande voet gegeven door De Brauw aan eiseres rechtsgeldig was en hoe de loonvordering moest worden behandeld. Eiseres was sinds 11 september 2000 in dienst en werd op 20 oktober 2005 op staande voet ontslagen wegens ongeoorloofde afwezigheid. Het hof verklaarde dit ontslag nietig omdat De Brauw onvoldoende bewijs leverde dat eiseres in de relevante periode arbeidsgeschikt was.
De procedure betrof ook de mate waarin de loonvordering van eiseres moest worden toegekend en gematigd. Het hof matigde de loonvordering tot 24 april 2006, de datum waarop het UWV eiseres onherroepelijk hersteld verklaarde. Tevens werd de wettelijke verhoging op de loonbetaling beperkt tot 25%. De Hoge Raad bevestigde dat de matiging van de loonvordering op grond van artikel 7:680a BW correct was toegepast en dat de beperking van de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW Pro voldoende was gemotiveerd.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen van eiseres die stelden dat zij onvoorwaardelijk bereid was tot werkhervatting en dat matiging niet ambtshalve kon plaatsvinden. Ook werd geoordeeld dat de werkgever niet kan worden tegengeworpen dat zij zich in hoger beroep heeft verweerd, ook al leidde dat tot een langere procedure. De uitspraak bevestigt de noodzaak van medische beoordeling bij bewijs van arbeidsongeschiktheid en benadrukt de discretionaire bevoegdheid van de rechter bij matiging van loonvorderingen en wettelijke verhogingen.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard en de loonvordering gematigd tot de hersteldatum van 24 april 2006 met een wettelijke verhoging van 25%.