ECLI:NL:PHR:2011:BQ2930
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing ontslaguitkering in jaar van inbaarheid
In deze zaak staat centraal of een ontslaguitkering terecht in het jaar 2004 tot het belastbaar inkomen is gerekend, dan wel in een eerder jaar toen de uitkering vorderbaar en inbaar was. Belanghebbende was in dienst bij A B.V. en werd in 1996 op staande voet ontslagen. Na diverse procedures werd hij een ontslagvergoeding toegekend waarvan de omvang in januari 2002 was vastgesteld.
Hoewel belanghebbende al in 2002 akkoord ging met het bedrag, koos hij pas in december 2003 definitief voor de wijze van uitbetaling. De werkgever betaalde het bedrag in januari 2004 onder inhouding van loonheffing. Rechtbank en Hof oordeelden dat de uitkering pas in 2004 inbaar was, omdat tot dat moment niet vaststond of en hoe de betaling zou plaatsvinden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat inbaarheid vereist dat zonder verwijl betaling kan plaatsvinden als de schuldeiser daarom verzoekt.
De Hoge Raad verwijst naar vaste jurisprudentie waarin het criterium van vorderbaarheid en inbaarheid wordt uitgelegd. De wil en het betalingsvermogen van de schuldenaar zijn doorslaggevend. Het feit dat belanghebbende pas in december 2003 zijn keuze maakte, betekent dat de uitkering pas vanaf dat moment inbaar was. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de ontslaguitkering terecht in 2004 is belast.
Uitkomst: De ontslaguitkering is terecht in 2004 belast omdat zij pas in dat jaar inbaar werd.