ECLI:NL:PHR:2011:BQ1708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontheffing ouderlijk gezag en voogdijstelling minderjarige
De rechtbank 's-Gravenhage heeft de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over haar minderjarige kind en de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden benoemd tot voogd. De moeder stelde hiertegen hoger beroep in, maar het hof 's-Gravenhage bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. Vervolgens stelde de moeder cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
In de procedure werd vastgesteld dat het kind sinds februari 2002 bij de grootmoeder aan moederszijde verblijft en dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing meerdere malen zijn verlengd. Het hof baseerde zich op de wettelijke normen van artikel 1:266 en Pro 1:268 lid 2 BW en concludeerde dat de moeder niet in staat is het kind de noodzakelijke zorg en opvoeding te bieden. Tevens bestaat er gegronde vrees dat de bestaande maatregelen onvoldoende zijn om de dreiging voor het kind af te wenden.
De moeder voerde in cassatie meerdere middelen aan, waaronder dat het hof onjuiste feiten had aangenomen en onvoldoende had gemotiveerd waarom de moeder niet voor het kind kon zorgen. De Hoge Raad verwierp deze middelen, onder meer omdat het hof terecht waarde hechtte aan het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming en de rapportage van het Bureau Jeugdzorg. De motivering van het hof voldeed aan de vereisten en de klachten van de moeder waren onvoldoende onderbouwd.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de ontheffing van het ouderlijk gezag en de voogdijstelling ten behoeve van het kind.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de ontheffing van het ouderlijk gezag blijft in stand.