ECLI:NL:PHR:2011:BP8798
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging schadevergoedingsmaatregel wegens toepassing niet van toepassing zijnde wetgeving
Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarig kind en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de benadeelde partij. De feiten vonden plaats tussen 1984 en 1991, vóór de inwerkingtreding van de Wet tot versterking positie slachtoffers van strafbare feiten op 1 april 1995.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte zijn verklaring bij de rechter-commissaris zonder voldoende motivering als bewijs gebruikte. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet gehouden was deze bewijsselectie nader te motiveren en dat de verklaring steun vond in ander bewijsmateriaal.
Daarnaast stelde de verdachte dat het hof onterecht bevoegd was om kennis te nemen van de vordering van de benadeelde partij en dat deze ten onrechte niet niet-ontvankelijk werd verklaard. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgeving waarop het hof zich baseerde niet van toepassing was op feiten gepleegd vóór 1 april 1995. De vordering overschreed het toen geldende maximum van fl. 1500,- en had bij de burgerlijke rechter moeten worden ingesteld.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest voor zover het de schadevergoedingsmaatregel en de vordering van de benadeelde partij betreft, verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de schadevergoedingsmaatregel betreft en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.