ECLI:NL:PHR:2011:BP6927
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling en verdeling baten in faillissement
Verzoeker tot cassatie was aanvankelijk failliet verklaard en vroeg toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), welke na diverse procedures werd toegekend. Tijdens de regeling begon verzoeker als zzp'er te werken zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris, hetgeen tot conflicten leidde met de bewindvoerder.
De rechtbank beëindigde de schuldsaneringsregeling vanwege het niet naleven van informatie- en afdrachtverplichtingen door verzoeker. Het hof bevestigde dit, oordeelde dat er voldoende baten aanwezig waren om schuldeisers te kunnen voldoen en bepaalde dat de verdeling van deze baten via faillissement moest plaatsvinden conform artikel 350 lid 5 Faillissementswet Pro.
Verzoeker stelde in cassatie dat het hof onterecht oordeelde over de baten en zijn positie als zzp'er tijdens de regeling. De Hoge Raad verwierp deze klachten, benadrukte dat verzoeker zonder toestemming was begonnen met werkzaamheden en dat de bewindvoerder toezicht moest houden op de afstemming van ondernemingsactiviteiten.
De Hoge Raad concludeert dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het cassatieberoep geen doel treft. De beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de verdeling van baten via faillissement blijven in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en verdeling van baten via faillissement blijven in stand.