ECLI:NL:PHR:2011:BP4445

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04784
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14f SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging proeftijd voorwaardelijke gevangenisstraf niet mogelijk na afloop proeftijd

De verdachte was door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar, met een bijzondere voorwaarde van een straat- en contactverbod. Het Hof had vervolgens de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf verlengd met één jaar.

De verdediging stelde cassatie in met het middel dat de proeftijd ten onrechte was verlengd, omdat deze al was verstreken. Uit de processtukken bleek dat de proeftijd was begonnen op 2 juli 2004 en geëindigd op 2 juli 2006, terwijl de beslissing tot verlenging pas op 29 oktober 2008 werd genomen.

De Hoge Raad stelt vast dat een verlenging van de proeftijd slechts tijdens de proeftijd zelf kan plaatsvinden, conform art. 14f, eerste lid, Sr. Omdat de proeftijd ten tijde van de uitspraak al was verstreken, is de verlenging onrechtmatig. Daarnaast is de redelijke termijn voor de cassatieprocedure overschreden, maar gezien de aard van de straf (volledig voorwaardelijk) wordt dit niet verder gesanctioneerd.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging betreft en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting en beslissing in dat onderdeel.

Uitkomst: De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt afgewezen omdat de proeftijd reeds was verstreken.

Conclusie

Nr. 08/04784
Mr. Machielse
Zitting 23 november 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 29 oktober 2008 wegens A. "mishandeling", B3. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" en "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen", C2 primair "poging tot doodslag" en C3. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een straat- en contactverbod. Voorts heeft het Hof de proeftijd van de bij arrest van het Hof van 17 juni 2004, parketnummer 23/004817-02, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verlengd met één jaar.
2. Mr. R. Ketwaru, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf heeft verlengd, aangezien deze proeftijd reeds was verstreken.
3.2. Uit de stukken van het geding volgt dat de proeftijd in de zaak met parketnummer 23/004817-02 is aangevangen op 2 juli 2004 en is geëindigd op 2 juli 2006.
3.3. Een beslissing tot verlenging van de proeftijd als bedoeld in art. 14f, eerste lid, Sr kan slechts gedurende de proeftijd worden gegeven.(1) Ten tijde van de uitspraak van het Hof op 29 oktober 2008 was dit dus niet meer mogelijk.
3.4. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. De verdachte heeft op 11 november 2008 beroep in cassatie ingesteld. Op het moment dat deze conclusie wordt opgenomen zijn sedertdien reeds meer dan twee jaren verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.(2)
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Hof Amsterdam van 17 juni 2004 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf en tot terugwijzing van de zaak teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 24 mei 1994, DD 94.366. Zie ook F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde (diss. Nijmegen), 1996, p. 163-164.
2 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2.